{"id":27915,"date":"2024-12-23T09:44:37","date_gmt":"2024-12-23T08:44:37","guid":{"rendered":"https:\/\/inzaken.eu\/?p=25915"},"modified":"2025-06-26T09:40:56","modified_gmt":"2025-06-26T07:40:56","slug":"peter-berger-vertelt-over-den-haag","status":"publish","type":"post","link":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/2024\/12\/23\/peter-berger-vertelt-over-den-haag\/","title":{"rendered":"Peter Berger vertelt over Den Haag"},"content":{"rendered":"\n<figure class=\"wp-block-image size-full\"><img loading=\"lazy\" decoding=\"async\" width=\"273\" height=\"185\" src=\"https:\/\/inzaken.eu\/wp-content\/uploads\/peter-berger-1.jpg\" alt=\"\" class=\"wp-image-30246\"\/><\/figure>\n\n\n\n<figure class=\"wp-block-image size-large\"><img decoding=\"async\" src=\"https:\/\/inzaken.eu\/wp-content\/uploads\/2024\/12\/haagse-kunstkring.jpg?w=413\" alt=\"\" class=\"wp-image-25916\"\/><\/figure>\n\n\n\n<p><strong>door Peter Berger<\/strong><\/p>\n\n\n\n<p><strong>\u201cToen ik zeg een jaar of zeventien was, dacht ik dat kunstenaars verheven geesten waren die nooit vuiligheid uitkraamden. Het was ook tot mijn geringe ontzetting dat ik, scholier nog, en genietend van het rotzooi drinken van een kopje koffie van 35 cents, Mr. E. Elias gore schunnigheden hoorde uitslaan. Op het terras van de Posthoorn.<\/strong><\/p>\n\n\n\n<p>Toen schokte me zoiets nog. Die Heer. Die schrijver met dat fijnbesneden, wat zeg ik, met dat edele gezicht en die wijze, ironische ogen. Die schitterende, glimlach. Fijntjes, zeer wit en charmant flitsend en voor de kenner van mensen: zeer boosaardig. Lieveling van het deftige Haagse lezerspubliek! Vooral de dames. Ze hadden eens moeten weten. Ter plekke waren ze in een gilletjes gestikt.<\/p>\n\n\n\n<p>Ik was het overigens later vaak met hem eens. Maar op \u00e9\u00e9n punt verschilde en verschil van mening met hem. En dat zal ik blijven doen tot mijn dood, tenminste als ik in mijn laatste jaren nog de bij de tijd ben en me nog druk kan maken over dit soort even belangrijke als volstrekt futiele zaken. En dat is zijn mening dat Den Haag geen boh\u00e8me kent. Zo lang hij, Elias, leefde was hij zelf een boh\u00e9mien. En hij leefde totdat zijn koele hart het in de trein tussen \u2019s Gravenhage en Delft begaf en hij ge\u00eberd met het lelijkste beeldje dat Den Haag kent, een ventje van brons dat min of meer zwierig zijn hoed om onnaspeurlijke redenen afneemt voor het vroegere restaurant Royal op het Voorhout. Of wuift het beeldje naar Elias zelf, die voorbij gegaan is? Zoals zoveel.<\/p>\n\n\n\n<p>Om boh\u00e9mien te zijn hoeft men geen vreemde flodderdassen te dragen, de blote voeten in sandalen te doen, te zuipen en te hoeren en te boeren. Men hoeft, kortom, niet aan het beeld van Terpen Tijn in een verliederlijkste versie te voldoen, die Meesterschilder. Om boh\u00e9mien te zijn hoeft men niet te zijn gelijk de heer Tijn. Er was maar \u00e9\u00e9n ding voor nodig. Men dient zich maar niet helemaal in de wereld te passen,&nbsp;en zich daar ook naar te gedragen volgens een gestyleerde code. Een vuilnisbakkenploeteraar, een stationsmaffer, een kwartjesspuger of een bedelende regenslijper in lompen: mochten ze in psychosen verpakte artistieke zielen hebben die nog niet helemaal zijn uitgewoond van eenzaamheid, haveloosheid en vuil: boh\u00e9miens zijn ze niet. Allerminst. Een haveloze heeft alleen een vorm van gedrag omdat het onmogelijk is te bestaan en zich dan aan gedragingen te onttrekken.&nbsp;<\/p>\n\n\n\n<p>Om te leven moet men altijd&nbsp;iets&nbsp;doen. Een boh\u00e9mien cultiveert een bewust gedrag. Of, als hij niet anders kan doen dan hij doet \u2013 want dat zal het ook wel zijn- dan geeft hij voor dat zijn gedrag bewust is: een houding. Een keuze.<\/p>\n\n\n\n<p>De gekozen rand van de samenleving. Dat kan door onaangepastheid. Maar ook door hype -aanpassing, het dandyeuze. En zo gezien was Mr. E. Elias zelf een boh\u00e9mien. Een keurige natuurlijk. Stijlvol in het pak, manchetten en zo, enfin, u kent het wel. Zijden dassen met een werkje. Witte zakdoeken. Een smetteloze heer, gesierd door volmaakte hoffelijkheid als er dames In de omgeving waren. Hij noemde zich \u2013 oudere Hagenaren onder ons zullen het zich herinneren- Flaneur. Zo heet dat beeldje ook. Flaneur. Een milde vorm van zwerflust, van buiten kalm en waardig. Van binnen rusteloos, opgejaagd, ongedurig. Net als Slauerhoff kon mr. E. Elias nergens wonen. Slauerhoff kon nog onderdak krijgen in zijn gedichten. Mr. E. Elias behielp zich met het Kurhaus.<\/p>\n\n\n\n<p>Zwerven. In het groot of in het klein. Desnoods in het park. Desnoods In de serre. Dakloos zijn, desnoods in een paleis, dat is boh\u00e8me. Zeker die van Den Haag, waar de geborgen zwerver nog in een stoel rusteloos op de vlucht kan zijn, van nergens naar nergens.&nbsp;&nbsp;En die dan lijkt stil te zitten. Maar intussen \u2026 Ja, in deze stad kan men gerust in het verborgene een zwerver zijn tijdens een wandelingetje.<\/p>\n\n\n\n<p>Zo schrijft Pierre H. Dubois in &lt;Het land der letteren&gt;, terugdenkend aan Carmiggelt: &lt;Maar dat deze geboren Hagenaar met zijn sublieme slenter verhalen het symbool van Amsterdam werd zou heel goed te danken kunnen zijn aan een kunst die typerend is voor Den Haag en waaraan die andere slenteraar, Elias, niet in Den Haag geboren maar volledig met de stad versmolten, zijn pseudoniem en zijn standbeeld op het Haagse Voorhout ontleend: de kunst van het flaneren. Het is waar dat niet Iedereen de kunst van het flaneren tot een literaire kunst heeft weten te verheffen. Maar voor de schrijver die ik ben, een import-Hagenaar en een vreemdeling, is het flaneren in de stad wel een van die onbepaalbare condities die het schrijven mogelijk maken. Niet de stad z\u00e9lf is een bron van inspiratie, althans tot dusverre niet of nauwelijks voor mij, wat niet wil zeggen dat ik niet met een zelfde gevoel van aangeslagen vertrouwdheid in het voorjaar naar de bloeiende kleuren van de krokussen op de grasperken van het Voorhout kan turen als zoveel anderen, die het w\u00e9l verwoorden konden in versregels of sonnetten of in romantisch getint proza \u2013 of dat ik niet, met Nijhoff, mij er bij tijd en wijlen van bewust ben dat mijn in geen enkele plaats,&nbsp;&nbsp;Praag noch Parijs, zo wandelt van \u2018t Tournooiveld naar de Plaats.&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Waarom weerklinkt Den Haag zo in de harten van dichters en prozaschrijvers? Den Haag is een stad van wanhopige verveling waar de demon van het niets leeg en blind en verschrikkelijk in zijn onzichtbaarheid door de lange straten en lanen zweeft en in de plantsoenen en bosjes. Dat is die hevige leegheid. Je ziet het aan de dodelijk vermoeide ogen van Willem Kloos, die uitgewoonde ogen van Kloos. Op een foto zien we de dichter aan de arm van zijn rotsvaste Jeanne Reyneke van Stuwe door het lommerrijke Haagse strompelen, hij afgepeigerd als een oud paard. Kloos in een Brief aan zijn Reyneke, in een versje dat hij niet ten onrechte &lt;Onttovering&gt; noemde. Ook de schoonheid van de po\u00ebzie is totaal naar de vaantjes:<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;Den Haag. Daar zijn we staag<\/p>\n\n\n\n<p>met zijn twee\u00ebn bij elkaar<\/p>\n\n\n\n<p>Als een minnend paar.<\/p>\n\n\n\n<p>Dan lopen wij samen mijmerend door de Scheveningse bossen<\/p>\n\n\n\n<p>Of gaan wij daar als twee dichters op onze Pegasus hossen\u2026&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Veel hossen was er niet bij. Zie me daar op die oude foto Kloos toch eens lopen. Waar zal het wezen? De Koekamp? Nee, eerder het plantsoen van het Nassauplein bij Laan Copes. De droevigste foto ter wereld, of het moest Kloos zijn die met Reyneke te midden van een bloemenhulde zit. Ik geloof dat het is ter gelegenheid van hun veertigste trouwdag.<\/p>\n\n\n\n<p>Want oud, erg oud, is Kloos geworden. Hij zit daar opgebaard in een bloeiend graf temidden van de wenende bloemen. Maar nu die wandeling. Arm in arm met zijn Reyneke gaat het wrak. Reyneke, Die er een beetje uitziet als Koningin Wilhelmina. Net zo van dikke jassen en pothoeden en voortvarende stappen. En dan die Kloos daarnaast. Voortgetrokken door zijn Reyneke. De wereld is vreselijk. De mens ook. Maar deze foto is een hoopvol teken. De mens is in al zijn wanhoop niet te vernietigen zo dapper. Op Willem slaat dit natuurlijk niet. Nou nee. Met dat dikke wijfje? Nooit gaat dat ten onder. Die kracht. Niet de stille kracht, maar de trouwe kracht. De kracht, vlezig van dapperheid, trouw en wanhopige hoop en levenswil. Reyneke. Met haar damesromans.<\/p>\n\n\n\n<p>Oh Willem, stijgt het in me op. Niet groot van postuur toch rijst hij als een dunne reus op naast dat dames-propje, klein Dinosaurusje. Ellendig lang, gelijk een kind eigenlijk, een wat huilerig kind, tol verloren, snoep afgepakt, met paardenpoep bekogeld, knie\u00ebn geschaafd, scheur in broek. Een ventje van acht omtrent, maar dan op een verschrikkelijke nacht uitgeschoten in een verkeerd soort van volwassenheid, vertoevend deswege in een met een belachelijke bolhoed bekroonde levenslange rouw. Willem wil niet meer, dat is wel duidelijk. Kijk me die holle blik. Die hangende schouders, dat sloffen. Hij loopt te sloesterpoten, zou mijn grootje vast en zeker gezegd hebben. Jenever natuurlijk. Maar daarv\u00f3\u00f3r had hij in het delirium van de po\u00ebzie de Leegte in het gezicht gezien. En restte hem het verdere leven alleen nog maar dat lange wachten op de vervulling in het volkomen Niets waarvan Den Haag zo kan ruisen. Of stil zijn. Die demonische rust die liefelijk slaapt in de parken met de kinderen, de vrouwen, het getinkel van bladloof, een briefje dat zucht in de kleine struiken. Bedrieglijke liefelijkheid. Rust, die elk moment kan ontploffen, exploderen, in scherven uit elkaar barsten.&nbsp;Maar die dat nooit doet! Steeds niet.<\/p>\n\n\n\n<p>Den Haag, nee \u2018s-Gravenhage is allereerst de wachtkamer geweest van Willem Kloos. Een grote wachtkamer, suizelend en Eerste klas met een grote toog en een hemel vol hels schitterende flessen. De laatste wachtkamer op aarde, nog net gelegen op de rand van het ergens. En Willem, Willem Kloos zag dat enkelspoor naar het nergens, en hoorde al hoe in de verte iets rommelde. Minder gevoelige naturen noemen dat: de branding. Maar Willem wist beter. Willem zag de stoomwolken in de lucht boven het Bankaplein. En hoorde de trein. En hief de bleek -blauwe ogen onder de loden oogleden naar de verte. Vol afgrijzen en verlangen. Willem Kloos leed. En zuchtte.<\/p>\n\n\n\n<p>Ik herinner me een boek In de kast van mijn ouders met een portret van Kloos. Het was een portret dat me hevig interesseerde. Een foto genomen door Willem Witsen. Deze boeide me hevig omdat Kloos op die foto sprekend geleek op de Groningse hoogleraar in het Byzantijns recht, Scheltema, die zich als dichter noemde N.E.M Pareau en die door vrienden veelal vertederd Nemmie genaamd werd omdat hij wel&nbsp;van&nbsp;heren hield, edoch het niet&nbsp;met&nbsp;hen, als men begrijpt wat ik bedoel.&nbsp;<\/p>\n\n\n\n<p>Pareau had net zo\u2019n gelaat waarvan de adeldom versterkt werd door de littekens van pokken of althans woeste jongelingspuisten. En hij, Nemmie kon net zo kijken als Kloos. Onder die foto van Kloos stond \u2026 &lt; Melancholie. Om wie? Om wat?\u2026 &gt; Prachtig vond ik dat. Melancholie. Om wie? Om wat? Alle raadsels zijn inmiddels bijkans opgelost en er is niets meer aan. Het raadsel waarom Vestdijk sneller schreef dan God kan lezen is simpelweg omdat de schrijver bij vlagen zo manisch was als een lampenkap en hij als een bezetene op zijn tikmachien zat te rammen om het dal dat achter hem aankwam golven voor te blijven, terwijl de stofzuiger stond te loeien. En waarom Kloos zo depressief? Om wie melancholie? Om Willem zelf. Om wat? Om het leven zelf natuurlijk dat hij torste omdat het leven samenviel met Willem, die ten dode opgeschreven God.<\/p>\n\n\n\n<p>Zoals Haarlem langzamerhand de gedaante aangenomen heeft van Frederik van Eeden, Lodewijk van Deyssel, de haveloze, in vreemde lompen wonende schilder H.F. Boot, Kees Verwey, die goddelijke rotzak en Godfried Bomans, en de stad aldaar ineenvloeide In de soci\u00ebteit Teisterbant, zo is Den Haag gevormd door zijn schilders en dichters. Haarlem is gevaarlijk van rust, maar de ontsteking is zoekgeraakt. En nat bovendien. En hoe veel gevaarlijker is Den Haag. Met die vederlichte wanhoop, die leegte.&nbsp;Alleen de zee die aan Scheveningen knabbelt is ruig en in al zijn vloeibaarheid stevig. Achter de poreuze branding die wit gehouden is. Maar die zee is daar dan ook neergeschilderd door de stoere Groningse schilderende bankier met zijn grote penselen en koolzwarte potloden. Mesdag. Ereburger van de wereld. Maar verder\u2026<\/p>\n\n\n\n<p>Het is de verveling van Boutens, die deze inkleurde met de aanblik van de jongen cavaleristen die op hun glanzende hoge knollen, kastanjebruin, schimmelwit, gitzwart, deinden bij de Alexanderkazerne, of langs de Scheveningse weg, of door de met groene scheerkwasten beplante Scheveningse bosjes. Fel In de lente, dromend in de zomer, spookachtig in de vroege herfst. De ruiters te paard, de cavalerie, die we nog kennen van de schilderijen van Breitner, die te zien zijn op het eeuwig ronddraaiende doek in Panorama Mesdag, kleurrijke gestalten, pijlen op de boog van hun paard, gepoetste mannen vol jeugd en oorlog die in lieve vrede van toen, eens overdonderend levend, en eens in de ogen van Boutens steeds reeds vertrekkend naar het nergens dat voor hen is ingetreden, springend door een afwezig gordijn, de dichter alleen latend in zijn verboden verlangen dat hem teerde met de stroop van het verdriet.&nbsp;&nbsp;Voorbij, voorbij \u2026&nbsp;&nbsp;Oh Scheveningse bosjes, branding van de Styx.&nbsp;<\/p>\n\n\n\n<p>En Willem Hussem, de schilder, zelf een cavalerist op zijn metershoge oeroude fiets, herenrijwiel, geknars op wielen en een enorme man, de grote kin In de lucht. Hij die Boutens daar nog had zien wandelen langs de kazernes. Wat een stad van voorbij is het hier.<\/p>\n\n\n\n<p>&nbsp;En Marcellus Emants, die zich op zijn ingetogen manier vol luchtige zwartgalligheid geen raad wist, geen heidense raad, maar vrolijk was in de Kunstkring, ongetwijfeld tot zijn eigen stukgepeinsde verbazing.<\/p>\n\n\n\n<p>Louis Couperus. Louis Marie Anne Couperus.&nbsp;Zal hij niet als Kloos d\u00e1t gezien hebben in het aangelaat? Wat zou het anders zijn in de kwijnende chic van die man? Oh dat dodelijk vermoeide Haagse. Hier is wat afgeweend om bloemen in den knop gebroken en in de uchtend van hun jeugd vergaan. En niet alleen door Willem. Een bekend verhaal, vaker verteld en door mij ook menigmaal weer vrijgevig van inhaligheid naverteld. Schelt er een bewonderaar van de grote schrijver te zijnent huize aan de Laan Copes van Cattenburch om belet te vragen. Komt er de dienstbode aan de deur, het&nbsp;dienstje, dat de bewonderaar beleefd aanhoort en dan zegt: \u201chet spijt me heer, maar meneer Couperus ken u helaas op heden nou niet ontvangen. Tussen drie en vier weent meneer Couperus.\u201d<\/p>\n\n\n\n<p>Ik herinner mij \u2026 Ik herinner mij Den Haag waar in de Posthoorn Nanninga, een soort Dorus in het groot en vol hangsnorren ook, en even melancholiek. En als Nanninga niet die hangsnorren had -want mijn geheugen laat me soms in de steek en hij had in werkelijkheid misschien minder snor, \u2013 dan had hij ze toch, al die snorren, nee zie ik ze groeien, nu, voor me, op dit eigenste moment, druipend en zwart- en d\u00e0t bedoel ik nu met melancholie, meneer. Nanninga die uit Groningen kwam, en daarom uit een handorgeltje dunne, droeve liedjes tevoorschijn priegelde, boerse liedjes die zacht stierven.&nbsp;&nbsp;Nanninga die op een avond naar een lezing in de Kunstkring de zaal stilletjes verliet omdat, moet hij fluisterend gezegd hebben, zijn vader hem geroepen had, en toen is hij, net als Berend Botje die naar Zuidlaren wilde roeien, ook nooit weerom gekomen. Nooit meer. Nee. Of moet ik nou ja schrijven, Ik ben eventjes de draad kwijt, maar ik bedoel dat Jaap weg is gebleven.<\/p>\n\n\n\n<p>Die liedjes van Nanninga, die roken een beetje, ja, wat zal ik zeggen. Naar brandend bonenloof In de herfst, als de koeien het koud gaan krijgen en zachtjes en langdradig schreien, iets wat lummelig door de knie\u00ebn gezakt, zodat ze iets weg hebben van kleine boerenstallen. Groningse dan wel te verstaan, op het noorderland.<\/p>\n\n\n\n<p>En nu we het toch over het Groninger land hebben, daar hebben we Stutvoet, Cor dus, dichter, wat een wat boerse man maar vrij klein, in een klein boerderijtje geboren dus, en die een beetje doof was en dat compenseerde met een gehoortoeter zo groot als een bombardon. Van koper en van zijn opa nog, denk ik, zijn dove Groningse grootvader. Misschien is dit allemaal niet waar. Wat geeft het. Het is toch zo geweest, met Cor, mien jong.<\/p>\n\n\n\n<p>&lt; Doodstille decembermiddag,&nbsp;<\/p>\n\n\n\n<p>Nevel en stilte overal,<\/p>\n\n\n\n<p>Geen enkel geluid maakt gewag<\/p>\n\n\n\n<p>Van een wereld van schijn en schal. &gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Zo begint die merkwaardige dichter, vreemdeling op aarde, J. C. Bloem, dichter van de vergankelijkheid, kind aan huis bij het verdriet, zijn gedicht &lt;Scheveningen \u2013 mistige wintermiddag.&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Jacques bloem was een trage man. Hij liep niet, hij slofte. Bloem had zijn eigen tijd, en die liep wat achter bij de wereldse tijd die&nbsp;minstens&nbsp;het tempo heeft van een voetganger. Bloem had zo zijn eigen&nbsp;temps longue. Ik denk dat de voetgangers Bloem werkelijk voorbijgevlogen moeten zijn. Die traagheid, die immense traagheid, die traagheid die zekere geleerden wel in gefossiliseerde mastodonten versteend hebben aangetroffen, die oeroude traagheid die enigermate voor luiheid werd aangezien en die het in zekere zin ook wel was, maar die ook vergeefsheid genoemd kan worden omdat er geen doel is in dit leven, alleen een einde\u2026<\/p>\n\n\n\n<p>Bloem was een stille zuipschuit. Niet stil in die zin dat hij het verborgen hield, maar stil omdat Bloem de stilte in dronk In de vorm van jenever. Ook dat deed hij zo langzaam, zo immens traag dat het uren in beslag nam voordat de grote dichter zoetjesaan een beetje lam werd, en een beetje, een heel klein beetje verzoend met het onverzoenbare. Door die immense traagheid zag Bloem steeds hoe de gewone tijd en alle de mensen en&nbsp;dingen daarin in ijltempo naar zich naar hun einde spoedden.<\/p>\n\n\n\n<p>Bloem: de levende illustratie van het gedicht &lt;Tijd&gt; van Vasalis.<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;Ik droomde dat ik langzaam leefde,<\/p>\n\n\n\n<p>Langzamer dan de oudste steen.<\/p>\n\n\n\n<p>Het was verschrikkelijk\u2026&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Inderdaad. Verschrikkelijk.&nbsp;&nbsp;Dat moet het geweest zijn. Mr. J.C. Bloem, innig geslagen door de zoete en bittere ongelukkigheden des levens. Natuurlijk heeft Bloem lange, lange tijd in Den Haag vertoefd. Omtrent enkele millennia zeker. Wat Couperus van zichzelf zei geldt ook voor Bloem.&nbsp;&nbsp;Zo ik dan iets ben, ben ik een Hagenaar. Nee, het is iets anders toch. Want Bloem zou dat nooit gezegd kunnen hebben. Want Bloem was eigenlijk&nbsp;zelfs geen Hagenaar. Omdat hij niet iets of iemand was. Als bewoner van de wereld, van Nederland ook, was Bloem niets. Hij was van Nergenshuizen. Droevig In de wereld vertoevend, even langsgekomen in de wereld, voorzichtig enkele bloemen van de kalme vreugde plukkend, soms, de kleine geneugten. Mondjesmaat. Zoals -vertelde geloof ik Ronald Holst, de sardonische waarnemer \u2013 wanneer er een dienstertje een kleine natte versnapering voor meneer Bloem op het tafeltje neerzetten, en hij een korte glimp van het lief glooiende begin van haar jonge meisjesborstjes opving en dat, zo stel ik me voor, met een innig welgevallen. Hoewel In de Posthoorn alleen obers resideerden, toentertijd, Henk en Theo in het bijzonder, en geen dienstertjes dus, zie ik voor mijn geestesoog daar altijd de entourage van deze gelegenheid rondom. Niet alleen vanwege de indringendheid van deze lokaliteit, maar ook omdat zich daartegenover, zeg tweehonderd meter, en voor Bloem ongeveer een kwartier tot een half uur gaans, een boekhandel bevond,&nbsp;Synthese. In die boekhandel, bestierd door de betreurde heer Douwes, zijn en waren veel rare boeken te koop. Over astrologie en yoga en Krisjnamoerti. En Oosters koken zonder vlees maar met kikkererwten, pindadoppen aura, karma, hara en krisjna, gedroogd zeewier en pompoenpitten en het slijm van zeesalade en gefermenteerd zangzaad met in gebedsmolens gemalen gemummificeerd Osiris-kruid en Toth-knol en andere vieze ingredi\u00ebnten waar een gewoon mens ter plekke dood van zou blijven, maar die aan een bepaald slag Hagenaren iets gelukzalig verschaft, iets onwerkelijks en transparanties, iets ontegenzeggelijk droogkloterigs ook. We hadden het over boekhandel Synthese, die niet alleen het Tibetaanse Dodenboek, inleidingen tot de fijnere nuances van Ming, Ying en Yang, de meer suspecte werken van de grote Carl Gustav Jung, de Tao, de Tarot en de Tibetaanse Thee ten verkoop aanbood, maar ook de mooiste werken van de Westerse Literatuur.<\/p>\n\n\n\n<p>En Douwes zelf vertelde hoe dan de heer Bloem hele middagen kwam snuffelen in zijn winkel, feilloos de echte boeken opvissend uit de ingebonden en ingenaaide chaos. Hij vertelde ook, met ogen blinkend van vertedering en bewondering, hoe de grote dichter die boeken die hij zich aldaar verwierf niet zozeer stal. Dat zou Bloem niet eens gekund hebben want hij kon niet, helemaal niets, behalve sprankelend en monkelend converseren, op een bon mot van verschillende van een schitterend gesprekspartner als Ronald Holst sabbelend zoals een kind op een zuurtje, genietend, proevend, en voorts wat spaarzaam maar prachtig dichten en een beetje bitteren, hij kon niet eens te laat komen Bloem, hij kwam steeds stipt op tijd alleen, in&nbsp;zijn tijd&nbsp;waarin het altijd wat uurtjes achterliep dus.&nbsp; Laten we het zo zeggen dat Bloem de door hem aangeschafte boeken op een grote, denkbeeldige rekening liet zetten die alleen In de geest, waar Bloem zoveel van bezat, werd gekwijt. Douwe rekende zich dat tot een eer. Maar ja, een grote ziel bezat de eigenaar van Synthese die later ook in de limonade ging. Maar dat is natuurlijk wel erg plat jargon voor wijnhandel en restaurant.&nbsp;&nbsp;Zo\u2019n groot hart, dat hij jeugdige kunstenaars voor niets van zijn fraaie wijnen liet proeven als ze er verstand van hadden, of liever,&nbsp;talent&nbsp;voor hadden. Ik was daar niet bij. En dat is jammer. Maar ach zoveel is jammer.<\/p>\n\n\n\n<p>J.C. Bloem over het Haagse huis waar hij als kind woonde: &lt; Hoe is het eindelijk aan de sloper vervallen? Vragen, waarop ik waarschijnlijk nooit een antwoord zal krijgen. Het huis is weg, zijn mogelijke bewoners ook en we zullen hen te zijner tijd volgen. &gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Typisch Bloem. Niet alleen vanwege die vergankelijkheid. Vanwege die spijt zo diep dat je je nog verbaast dat hij de moeite nam er over te schrijven. De fenomenale omvang van Vestdijks werk en de minimale omvang van dat van Bloem hebben dezelfde bittere bron. Typisch Bloem ook vanwege die luiheid. Waar Bloem denkt waarschijnlijk nooit een antwoord op te zullen krijgen, is vrij eenvoudig te achterhalen. Hij had het Schwencke of Bulthuis kunnen vragen, want de een wist, de ander weet nog alles van Den Haag. Schwencke van alles wat van steen gemaakt was en wat daarin woonde. Bulthuis kan er \u00e0lle roddels bij vertellen, zoals ook Jan Willem Hofstra, thuis in het fijne verschil tussen te Hoge en de Lage Banka en de daarbij behorende nuances in rang en stand. En boden prachtige roddelaars en leugenaars geen soelaas, dan zou Bloem wel iets bij het kadaster kunnen opsteken. Maar Bloem en het kadaster. Bloem die zijn titel&nbsp;Magister utriusque iuris&nbsp;zoals de toevoeging meester in de rechten ooit in de meer beschaafde kringen luidde, verworven moet hebben, niet omdat hij van Romeins, Oudvaderland of hedendaags recht ook maar ene snars wist, maar omdat hij daar op zo\u2019n elegante wijze niets van wist. En waarom zou hij ook? Gelijk ik zei, althans reeds suggereerde: Bloem en het kadaster, dat zijn uitersten. Maar Bloem laat hier in zijn luiheid iets meezingen in het antwoord dat hij waarschijnlijk nooit zal krijgen. En dat is, dat wij nergens een antwoord op zullen krijgen. Dus is het zoeken bij voorbaat vergeefs. Geen kadaster zal uitkomst bieden. Want ook al zou hij te weten komen hoe dat huis aan de sloper vervallen is, in die sloper huist de grote Sloper van de Tijd, en wie hij is, dat blijft het geheim waarvan soms een gedicht bij toeval even iets van de sluier oplicht, en die sluier is dan een waas van afwezige tranen die het geheim meteen weer aan het oog onttrekt. Ach die Bloem.<\/p>\n\n\n\n<p>Mischa de Vreede is een mooie vrouw, en toen ze nog zo half meisje, half jonge vrouw was, was ze een buitengewoon mooi half meisje, half jonge vrouw. Ze had ontroerend onschuldige eerbied voor grote schrijvers, want ze dacht dat die een grote ziel hadden. En ze vertelt dat toen ze bij Jacques die daar half verlamd weer bij Clara Eggink liefde en zorg ontving in het polderland, en toen zij bij Jacques op bezoek ging, hetgeen deze met welgevallen zag gebeuren, de dichter daar rustig zijn hand op haar, Mischa\u2019s jonge borst lei. Ik vind dat ontroerend. Mischa de Vreede heef het geloof ik ergens opgeschreven. En literatuurvorsers kunnen nu nagaan hoeveel ik kan liegen en dat is bij tijd en wijle bij de beesten af. Kan mij het schelen. En ik zie het voor me. Bloem na zijn beroerte met een plaid in het herfstzonnetje, zachtmoedig omdat het nu goddank bijna voorbij is, die woonschuit van Clara in een plomp in de buurt, polders en bomen vol vertellende blaren rondom, zeg: Peppels. En dan Bloem zelf; het grote, edele burgermanshoofd, het hoofd van een dichtende heer die oud is geworden en erg moe, al bijna van teer perkament, \u2013 het hoofd dus achterover, ogen dicht. Genoemde plaid over de dunne knie\u00ebn die niet meer werken. En dan een linkerhand op de rechterborst van dat zo vreselijk mooi in het onverbiddelijke van de jeugd verkerende dichteresje dat al naar een vrouw toegroeit. Dat heeft niets, niets met erotiek te maken. Het is een zacht afscheid van het leven en van zijn bedrieglijke lieflijkheid. Een lieflelijkheid die niets is dan gal en verraad. Maar aan de buitenkant, onder de hand zo warm soms. Zo innig en bijna werkelijk. En dat vergeelde herfstzonnetje. En bijna vrede. Heidense laatste sacramenten in het lieve polderlandschap, tussen de sloten en de zoetjes kwebbelende bomen die nu even hun adem inhouden\u2026 Jacques Bloem is waardig zijn onsterfelijk dood ingegleden en maakt het bestaan vergeeflijk in zijn witzijden slaap.<\/p>\n\n\n\n<p>Achterberg kwam ook wel eens in Den Haag op bezoek, om te inspecteren hoe het met de leegte hier stond. Altijd goed, zodat hij er een lap uitsneed om deze, thuis gekomen, tussen de dennenbossen, rustig in zijn gedichten te monteren waarin deze nog trilt, verschrikkelijk, als stijl geworden tijd die onder stroom staat, in het wilde evenwicht van de dood. Achterberg logeerde van tijd tot tijd bij Bert Bakker en Victorine Hefting. Victorine, in haar met d\u2019r voornaam getitelde memoires: &lt;&lt;Een tijd lang, in het begin van de jaren vijfig, werd er bijvoorbeeld zeer regelmatig&nbsp;&nbsp;\u2019s nachts om drie uur opgebeld vanuit Amsterdam met de mededeling dat Gerrit Achterberg daar in een verregaande staat van dronkenschap verkeerde en alleen door Bert Bakker afgehaald wilde worden. Bert kleedde zich dan aan en ging hem naar Den Haag halen. Omdat Gerrit de gewoonte had om Bert daarbij onder het rijden voortdurend hard op het hoofd te slaan, is Bert ertoe overgegaan om uit te rijden met een aluminium pannendeksel bij zich, dat de juiste maat had voor zijn grote schedel en dat we met een sjaal hadden omwikkeld zodat het niet al te erg opviel en Gerrit zonder direct gevaar voor Bert kon doorgaan met slaan. Het enige verschil was dat hij er van tijd tot tijd bij riep &lt;&lt; Wat heb jij een harde kop.&gt;&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Wat was Achterberg voor een man? Achterberg was de enige man ter wereld van wie je zou geloven dat de grote schoenen waarmee hij rond-kloste onder die te hoge broekspijpen de schoenen waren die van Gogh nog heeft geschilderd. Achterberg was niet gek. Hij was alleen maar niet van deze wereld, soms meer, soms minder en soms gans en al niet. Later wat meer. En zou je denken dat hij bestond.<\/p>\n\n\n\n<p>Komt er een vent de Posthoorn binnen, en gaat daar een beetje opdringerig staan doen tegen een groepje dichters en schilders.&nbsp;&nbsp;Achterberg erbij. Hussem dus ook want die zat er&nbsp;&nbsp;\u2019s avonds altijd. Eddy Hoornik zal er ook wel bij geweest zijn want die zat toen, in die jaren, zowat aan Achterberg vastgeplakt voor als de grote Gerrit weer eens de stuipen kreeg van de drank en de beeldspraak en over straat van je Godverdomme ging loeien, hetgeen men in Den Haag niet&nbsp;doet&nbsp;\u2013 alleen Bert Bakker&nbsp;&nbsp;mocht dat als hij uit Slawa kwam en in een kegel woonde en heel Den Haag van hem was. Blijft die vent zo\u2019n beetje dooretteren. Waarop Achterberg:<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;Mijneer, bent u ook bekend aan Hebbel? &gt;<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;nee&gt; zegt die vent, &lt;hoe zo?&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;dat dacht ik al&gt;, zegt Achterberg.<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;nou&gt; zegt Achterberg &lt; ik dacht het zo, want u bent behoorlijk onhebbelijk. Of zeg maar onbehoorlijk onhebbelijk. &gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Ik heb het verhaal van horen zeggen. Van Jozef Eyckmans wel te verstaan, die wonderlijke, introverte dichter, zo ontvankelijk dat hij zich zelfs kon verwonderen om de treurigste dingen als dat maar mooi was verwoord en dan in een verblindende ontroering schoot, en hoe zeg je dat: vrolijk werd van verdriet, trillend, en dat is bewogenheid.<\/p>\n\n\n\n<p>Maar goed, ik heb het van Jozef dus, dit verhaal. De manier waarop hij dat vertelde, in prille verbazing snikkend van het lachen, vol ongeloof ook, breekbaar als glas en met een uitbeelding zo, dat ik dat gezicht van Achterberg z\u00e1g. Dat hoofd dat er bleek en boers uitziet alsof het door een sadistische, uit het rasphuis ontsnapte rampzalige dorpskapper onderhanden is genomen, geen gekamde haren, maar geharkte, en blauw geschoren slapen, en dan die ogen met die fletse stralen die door de werkelijkheid kijken, daar dwars doorheen\u2026 &lt;meneer u bent onhebbelijk&gt;. Ik denk dat er een doorschijnende jas gehangen rondom een blauw oplichtend, fluorescerend skelet het pand verlaten heeft, wankelend over de vloermat van een etablissement, de Posthoorn genaamd. Ik moet Jozef, die in stille vertrekken woont, er eens op navragen.<\/p>\n\n\n\n<p>Bloem was niet snel ter been. Maar Eddy Hoornik die dus ook van tijd tot tijd groot en behoedzaam aanschikte was nog trager. Eddy was moeilijk met de voeten. Dat was aandoenlijk, die enorme man, zwetend van doodsangst bij tijden ineens, een literaire samenzweerder pur sang, vol schuldgevoel dat balkend fluisterde in zijn zuivere kinderziel. Hussem tegen de onderkoning van Nederland. Hussem won vaak want het interesseerde de onderkoning van Nederland geen donder. Als het maar gezellig was.<\/p>\n\n\n\n<p>Dat kon A. Marja het beter en effectiever: stangen. Als Achterberg getourmenteerd door schuldbesef, maar niet gezegend met het talent om dat in po\u00ebzie om te zetten, ontwikkelde hij zich tot een begenadigde pestkop.<\/p>\n\n\n\n<p>Daarin, in zuigen en jennen, was hij waarlijk groot, al kon zijn omgeving daar hoegenaamd geen waardering voor opbrengen. Zijn grote verstand werd tenslotte vergiftigd door een soort van postnatale puberale en knetterende pestgekte.&nbsp;&nbsp;&lt;Phoenix&gt;, had Hoornik boven een gedicht geschreven dat inderdaad verdomd slecht was. Want Hoornik had geen vreselijk groot talent, maar wel een zuiver. Maar dan soms, ineens, besmet met vreemde valse tonen. Po\u00ebtische viezigheid in het gevoels-valse, zwakke, sentimentele. Die Phoenix bijvoorbeeld. Marja kwam met een pastiche aan. Puberaal was de titel: &lt;poeh, niks&gt;. Dodelijk was de rest.<\/p>\n\n\n\n<p>Marja had een afschuwelijke stem. Hij had een scherpe dunne neus aan zijn grote hoofd. De neus van een ware sarcastische strontzoeker. En door die dunne neus neuzelde zijn grijze stem fluitend door de Posthoorn, doordringend en snijdend en toch sonoor. De stem van de stoorzender. Van alle raadselen die mij nog kunnen boeien is dit een der weinige. Vrouwen vielen op die stem en Marja heeft er vele mee plat gekregen. Velen vrouwen vonden hem later vervolgens een gore rotzak. Veel mannen vonden dat meteen al. Maar Marja was in wezen een aardige man die zich met raspend welbehagen in de hoek van de outcast gewerkt had toen hij merkte dat zijn ambities groter waren geweest dan het talent dat maar goed was voor enkele zeer zuivere verzen. Ik zal niet van zijn vele&nbsp;practical jokes&nbsp;verhalen. Ze waren nimmer leuk. Zozeer niet, dat anonieme rottigheden steevast aan hem werden toegeschreven. Marja was een&nbsp;minor poet. Had hij zich daarmee verzoend, dan was hij onder de kleine dichters een dichter geweest. Maar helaas, dat kleine talent was zijn ongeluk dat hem veranderde in een groot stuk ongeluk. En toch\u2026 Schofterig als hij kon zijn, hij was niet bang. Ook niet toen hij wist dat zijn waaier van kwalen hem zo zoetjesaan het graf in duwde. Een van zijn laatste gedichten, zo niet zijn laatste, is een soort afscheid bij daglicht, in de volle natuur, als hij zich kristalhelder realiseert dat de jonge vrouw, het meisje dat hij daar ziet, het meisje waarmee hij zo\u00ebven wandelde, over enige tijd alleen is. Zonder hem. Een kaal gedicht. Geen sentimenteel woord is er bij. Het is niet woedend en niet berustend. Marja geeft zichzelf er slechts zonder enige blijdschap kennis van.<\/p>\n\n\n\n<p>Toen Marja gestorven was, hart, Bronovo, stond er op het kozijn van het raampje boven de pisbak in de Posthoorn: &lt;Marja is dood&gt;. Opluchting? Verbazing? Verdriet ondanks alles? Of gewoon een feit? Durfde geen mens het weg te poetsen? Maandenlang heeft het er gestaan. Vele maanden.<\/p>\n\n\n\n<p>Jozef komt niet meer in de Posthoorn. Weinigen meer komen de Posthoorn van toen. Velen zijn veranderd. Velen zijn er dood. Albert Vogel. Albert van wie velen zeggen dat hij een luchthartige man was. Jaja. Je kon met Albert verschrikkelijk lachen. En hij hield werkelijk van de Kunstkring, ik denk niet dat hij echt goed kon organiseren, maar hij deed het met volle overgave zoals hij ook vol overgave aan een dik boek over de Kring zat&nbsp;&nbsp;te schrijven, temidden van stapels boeken en oude manuscripten, tekeningen en foto\u2019s, in zijn galerie vol avant-garde kunst, aan een modern bureau gezeten, op een moderne, elegante bureaustoel. Maar nooit helemaal los uit het verleden gekomen, zoals zoveel Hagenaars\u2026<\/p>\n\n\n\n<p>Neem Braasem, Willem dus met zijn&nbsp;tempo doeloe&nbsp;en zijn heimwee dat geen heimwee was maar woede, bitterheid, zwarte gal. Willem Braasem had het op een gegeven moment bij Het Vaderland wel gezien, verhuisde naar Hoorn om daar een museum \u2013 en een soort antiekwinkel aan de Zuiderzee of hoe het daar heet, die nattigheid daar \u2013 te beheren, kwam elk weekend gek van heimwee naar Den Haag om op een afstand op Hoorn en zijn neten van burgers te schelden, zat heimwee te hebben&nbsp;naar de plek waar hij zat, onder de bomen van het Voorhout, vlak bij Het Vaderland waar hij de geur van drukinkt probeerde op te snuffelen, ongedurig als een hondje dat zijn baas kwijt is en vertrok dan weer scheldend en tierend, krijtwit van woede en verdriet naar Hoorn. Week in week uit. Ja, dat wil wat, met Den Haag.<\/p>\n\n\n\n<p>\u2019t Is net of ik niet goed over Albert Vogel durf te beginnen en dat is ook zo. Ik mis hem zeer vaak, zeer hevig. Albert Vogel deed het op zijn manier. Wie zegt dat hij oppervlakkig was heeft geen mensenkennis. Wie zegt dat hij niet hard werkte heeft hem niet gekend. Hij hield alleen niet van het&nbsp;woord&nbsp;werken omdat vertoon van diepzinnigheid niet past. Maar Vogels diepzinnigheid was van de goede soort: het was de diepzinnigheid van de oppervlakte. Het mag niet storen. Het moet welgevallig blijven. Licht. Veel mensen die ik noemde hadden of hebben een verborgen treurigheid. De leegte, nietwaar? En Albert? Ja, natuurlijk. Maar op een wonderlijke, wegwuivende ijdeltuitige, ja volstrekt luchthartige manier, met iets vrolijks zelfs. Alsof het leven een geschenk was dat je weliswaar niet zo uitkwam, lelijk als het was, maar dat je ook moeilijk kon weigeren om de gever niet voor het hoofd te stoten, maar waar je achter zijn rug toch ietwat gegeneerd de spot een beetje mee drijft. Op die manier was Vogel een levenskunstenaar. Hij had het ook lieve anders gezien, als je diep in zijn hart keek\u2026 Maar ach, laten we maar niet te diep in harten kijken, en verder weten we ook wel hoe het zit. En voor de rest is het in de regel wel aardig, om niet te zeggen niet onvermakelijk toch? Als een beroepsmelancholicus kon Albert genietend in zijn verdriet wonen,&nbsp;maar dan onverschillig en met een zekere vrolijkheid dat hij zo van zijn monsters af kon komen. Althans, zo deed hij, want voor alles: men is niet vervelend. Albert Vogels was Haags. Elegant, doodmoe. Stijlvol in een vorm van tragiek die geen tragiek is, alles behalve zelfs, maar daarin juist weer w\u00e8l. Als we het maar niet zo noemen. Men houde het luchtig. Daarin was Vogel po\u00ebtisch en hard tegelijk, al bibberde hij van ellende soms. Vooral als er een gaatje in zijn kostbare trui zat.&nbsp;<\/p>\n\n\n\n<p>Albert Vogel, dat is voor mij de man die deze stad het best gekend, nee, het best geleefd heeft. Of het moest Victor Eduard van Vriesland zijn, die zich vaak in het Kurhaus opsloot met zijn uilenkoppie om hier \u2013 juist hier \u2013 na te denken over dingen waarover niet valt na te denken. En die schreef, op lopens afstand van het huis waar Vasalis eens woonde, maar dat zal wel het toeval van de roddel wezen:<\/p>\n\n\n\n<p>&lt;Verval kruipt in de muren van \u2019t gebouw<\/p>\n\n\n\n<p>En in de stamgasten die er nog heengaan.<\/p>\n\n\n\n<p>De zee ruist; ook dat ruisen wordt al grauw<\/p>\n\n\n\n<p>Vergeefs geleefd, vergeefs! schijn is gedaan:<\/p>\n\n\n\n<p>\u2019t Is weer alsof het nimmer heeft gestaan.&gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Maar gelukkig, na dit gedicht is het weer herbouwd, dat Kurhaus.<\/p>\n\n\n\n<p>Die leegte, die vreselijke leegte van Den Haag, klonk het niet zo zwaar, van metafysische aard moest deze genoemd worden. Het is een gedicht waarin de mensen en de huizen en bomen luchtige woorden zijn in de leegte; ze worden uitgesproken en waaien haast weg, maar blijven in hun stijfheid; de straten zijn regels die de huizen vasthouden \u2013 of houden de huizen de straten vast? De grond is hier zand dat de zee voor even netjes heeft neergelegd; het is hier niet oud, alles is hier maar voor even zoals in Veneti\u00eb er in al zijn schijnbare ouderdom maar voor even is, en die ouderdom of ouderwetsigheid is slechts een laagje erosie.&nbsp;&nbsp;Patina dat de voorlopigheid zichtbaar maakt. Den Haag is niet de stad van het verleden. Het is een stad die geen heden heeft. Of het is de stad van het verleden als heden dat buiten de tijd is. Of de stad van tijdelijkheid die in de fin de si\u00e8cle zijn uiteindelijke aroma heeft gekregen en dus omtrent honderdjaar de tijdelijkheid zelf is die nog even stand houdt, tegen beter weten in. De gedateerde Haagse tijdloosheid van \u2019s Gravenhage is zijn tijdelijkheid. Den Haag is gegraveerd in het niets, lieflijk en verschrikkelijk, het is een stad van tranen die niet gezien mogen worden, een stad van glimlachende weemoedigheid, de stad van de firma Krul die er niet meer is en de Sierkan en Lensveld Nicola en Paul C. Kaiser &amp; Co, en van de Bonneterie waar soms \u2019s nachts wel doodstille schimmen waargenomen worden, die met witte parasolletjes en witte hoedjes met voiletjes en veel witte rokken die niettemin lange en mooie en zeer blanke benen doen vermoeden, de uitgaansmode tonen anno 1901.<\/p>\n\n\n\n<p>Anderen zeggen dat, ofschoon Den Haag zelfs overdag een spookstad kan zijn, dit niet waar kan wezen, zeker niet sinds men een man die Achterberg zou heten en in de bossen woont, met twee etalagepoppen heeft zien wegsluipen. Dat moet 1954 geweest zijn, ergens in juni zo iets rond middernacht, toen uitgever Bert Bakker, vroeg voor zijn doen, de inmiddels op de fles gegane en geheel verdwenen nachtgelegenheid Slawa uitwankelde in de richting van de Denneweg om in de Haagse Kunstkring wedergevonden te worden, met zijn dikke kop, wenend en lachend tegelijkertijd.<\/p>\n\n\n\n<p>Ze zeggen wel eens dat Den Haag een deftige stad is. Onzin. Den Haag is een schitterende stad, kwetsbaar in zijn hachelijke evenwicht dat hier en daar deerlijk verstoord is door criminele architectuur. Het is een stad met een ziel zoals alle echte Europese steden een ziel hebben. De ziel van Den Haag is ragfijn. Er is niets stijfs aan. Geen kunstenaar kan beter feesten dan de Haagse kunstenaar, en dat is de maat. Kom een keer op een uitreiking van de prijzen van de Jan Campertstichting, en u zult weten wat ik bedoel. Zoals in Den Haag eerbetoon en feestelijkheid hand in hand kunnen gaan, dat is fameus. Vrolijk, gul, erudiet, elegant zelfs en uitbundig.<\/p>\n\n\n\n<p>Van Oorschot, doorgefeest en nors, vervoegt zich bij de vestiaire nadat in het oude stadhuis aan de Javastraat een belangrijke prijs aan een van&nbsp;zijn&nbsp;auteurs is uitgereikt. De wereld houdt even de adem in. Geert Wil Weg. Het is trouwens al laat, en de ambtenaar die in de vestiaire over de garderobe waakt, geeft Van Oorschot Jas en Hoed. Als Van Oorschot de jas aandoet, en de artistieke, vieze, zwarte hoed met een groot gebaar op zijn forse kop kwakt, zegt die ambtenaar van de garderobe: &lt; Meneer, u zet uw hoed achterstevoren op. &gt;&nbsp;&nbsp;Haalt de uitgever zijn stinksigaar uit zijn hoofd en snauwt met zijn geweldige stem: &lt;Jazeker man, dat hoort zo. Dus dat je maar niet denkt, godverdomme, dat ik nu achterstevoren jouw paleis uitwandel. &gt; En weg schrijdt Geert. Ietwat wankel ter been, maar groots van tred, welhaast onsterfelijk.<\/p>\n\n\n\n<p>Den Haag stijf? Den Haag is verstild. Nadekend. Weemoedig. Het heeft boven de werkelijkheid getilde intensiteit van het het park rondom een krankzinnigengesticht. Onwerkelijk, verheven, de achtste dag van de week, de dertiende maand van het jaar. In Den Haag was hij, zegt Achterberg, op doodsvacantie. Wat bedoelde hij? Hij bedoelde, denk ik, dat hier een andere tijd is. Het is een stad, zo vervuld van de dood dat de dood opgeheven is. Het is een stad van po\u00ebzie. Want po\u00ebzie drijft de dood uit door deze in te roepen. Alles, alles wist gindse Gerrit die in de bossen woonde daarvan.<\/p>\n\n\n\n<p>Ach Braasem die Willem heette. Wie in Den Haag woont heeft inderdaad altijd heimwee naar Den Haag.<\/p>\n\n\n\n<p>Annie M.G. Schmidt:<\/p>\n\n\n\n<p>&lt; Wat voor weer zou het zijn in Den Haag,<\/p>\n\n\n\n<p>noordenwind, met wat nevel uit zee ?<\/p>\n\n\n\n<p>Op de Denneweg ruikt het nu vaag<\/p>\n\n\n\n<p>Naar Couperus en ook naar sateh. &gt;<\/p>\n\n\n\n<p>Den Haag is het heimwee zelf, het is het verloren paradijs gezien door de ogen van een volwassene. Oh lieflijke stad waar we vertoeven maar niet mogen zijn. Waar we kunnen sterven maar niet leven. Waar de eerste geliefde woont in een huis zonder muren. Of zeg: in de spiegelruiten van de etalages en het gefrutsel van de wind in de bomen bij het Westbroekpark. Het is een spirituele stad, een stad gemaakt voor kunstenaars. En de kunstenaars hebben haar gemaakt door deze ook zo te zien, te beleven, te schilderen en te bezingen. Het is nu eenmaal zo, dat we hier aan Atlantis grenzen, met alleen een eeuwig water daartussen. De Hagenaar die dat niet weet is hier niet dodelijk gelukkig geweest. Die kent deze stad niet, die aan de rand van de kosmos staat. Die begrijpt niet dat in de huizen schelpen ruisen, die begrijpt de verklikte geheimen van de eeuwigheid niet, noch het verbrokkelde kant, noch de naar schimmel geurende antieke parasollen die in vergeten paraplubakken staan, noch dat op sommige zolders het zand van 1923 nog ligt, toen een avontuurtje plots werd afgebroken, terwijl de lieftalligen nog nahijgend dood en volkomen op Oud Eik en Duinen liggen, innig en onverbiddelijk verbrokkeld.<\/p>\n\n\n\n<p>Gek Den Haag , die stad waar ik van houd sinds de dag dat ik er, uit Groningen koment, aankwam en die zich voor mij, langs de duinen aanzeilend in een groene Buick, opende als een bevrijding. Natuurlijk, ik heb ook mijn deel gehad. Maar ik heb ook, gezeten achter mijn vader, nog zwak van wagenziekte, in een onvergetelijke extase een blik op het paradijs mogen werpen. En dat was Den Haag, zoals dat in het gouden avondlicht openging, een wereldstad met De Witte, het Vredespaleis en het Kantoor van mijn Vader, dat onder groene bomen lag te slapen in een herenhuis aan het Emmapleintje. We zijn het paradijs binnen gegaan. Om te zeggen: Chris Buitendijk, die minnaar van zijn geboortegrond en van veel wat daar bevallig van vrouwelijkheid op rondliep en die verliefd was op de boh\u00e8me, zijn boh\u00e8me, Chris dus liet het mijn zusje en mij allemaal zien. Ockenburg en het Kurhaus en het Paleisje op de Kneuterdijk en hij maakte tevreden grapjes, zoals, kan ik me voorstellen, God de Lieve Heer grapjes van genoegen maakt als hij zijn schepping toont aan bezoekers van andere melkwegstelsels. Hier en daar ligt wel wat rommel, let er niet op, morgen komt wel weer een ploegje schoonmaakengelen. Maar het geheel. Kijk eens. Zo\u2019n Noordzeetje dat we hier hebben gelegd. Van water gemaakt, wat zeg ik je. Aardig toch? En die zon die vanzelf aan en uitgaat, en die wiegelende plantsoenen, en die ambtenaren, klein grapje. En kijk eens hoe m\u00f3\u00f3i. De mensen sterven wel, dat heb ik niet opgelost, mijne goddelijke heren uit andere melkwegstelsels, net zomin als u trouwens, maar ze doen het toch maar in Den Haag. Nou dan.<\/p>\n\n\n\n<p>Zoiets was Buitendijk, ik bedoel: zo intens vergenoegd, zo knorrend van grappigheid en geestige tevredenheid, zo scheppend van parmantigheid en trots. En ik geloof dat ik verschrikkelijk gelukkig was, want ik weet het nog precies, maar was me mijn geluk niet bewust. Er was zoveel toekomst. En later, die zomer, zag ik op het strand het mooiste meisje dat ik ooit zag. Blanke huid, goudblond haar. Gretchen dus. Greetje uit Scheveningen. En soezend op het strand keek ik af en toe op of ze er nog was. En ja hoor. Ze bestond echt! En dat was genoeg.&nbsp;&nbsp;Zoiets had je toch maar niet in Paterswolde.&nbsp;&nbsp;Zo mooi. Zo vreselijk mooi. En mondain. En onschuldig, En blank. Oh\u2026 En verbrand dat ik was, van de zon, die avond.&nbsp;&nbsp;Als een kreeft. Want waar moet je ook op letten als je alleen maar zoet water gewend bent. Nee, Den Haag. Het paradijs is het niet gebleken. Maar iets daarvan.&nbsp;Iets\u2026?<\/p>\n\n\n\n<p>En met Chris op een terrasje dat later het terrasje van de Posthoorn bleek te zijn. De wereld ging nogmaals open. Die schilders! De kunstenaars! De artisten! Dat wilde ik ook worden. Later. Als ik groot zou zijn. Beroemd zou worden. En interessant. En bleek van de melacholie\u2026 Kloos dacht ik. En wel met tien vrouwen. Wel elf!<\/p>\n\n\n\n<p>Ach, eindeloos paradijs dat zich lui uitstrekte in Den Haag met die zomer van wat zal het zijn, 1953? Dat geheugen ook. En zat daar niet, temidden van de Haagse boh\u00e8me op dat terrasje in de zon een opvallend deftig heer, een tegelijkertijd wat oudere en toch merkwaardig jonge oud-indischgast met zilvergrijze haren geamuseerd te kijken? De heer, van wie ik niet veel later de naam zou vernemen, vol eerbied uitgesproken door de dametjes. Mr. E. Elias? Eerlijk, soms weet ik waarlijk niet of ik de waarheid spreek. Of zit te liegen dat ik barst.\u201d<\/p>\n\n\n\n<p><a href=\"https:\/\/haagsekunstkring.nl\/\">https:\/\/haagsekunstkring.nl\/<\/a> &nbsp;<br><a href=\"https:\/\/haagsekunstkring.nl\/nieuws\/anatomie-van-de-haagse-melancholie\/\">https:\/\/haagsekunstkring.nl\/nieuws\/anatomie-van-de-haagse-melancholie\/<\/a><\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>door Peter Berger \u201cToen ik zeg een jaar of zeventien was, dacht ik dat kunstenaars verheven geesten waren die nooit vuiligheid uitkraamden. Het was ook tot mijn geringe ontzetting dat [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":2,"featured_media":30249,"comment_status":"closed","ping_status":"open","sticky":false,"template":"","format":"standard","meta":{"_price":"","_stock":"","_tribe_ticket_header":"","_tribe_default_ticket_provider":"","_tribe_ticket_capacity":"0","_ticket_start_date":"","_ticket_end_date":"","_tribe_ticket_show_description":"","_tribe_ticket_show_not_going":false,"_tribe_ticket_use_global_stock":"","_tribe_ticket_global_stock_level":"","_global_stock_mode":"","_global_stock_cap":"","_tribe_rsvp_for_event":"","_tribe_ticket_going_count":"","_tribe_ticket_not_going_count":"","_tribe_tickets_list":"[]","_tribe_ticket_has_attendee_info_fields":false,"_jetpack_memberships_contains_paid_content":false,"footnotes":""},"categories":[12],"tags":[31,889,4181,4800],"class_list":["post-27915","post","type-post","status-publish","format-standard","has-post-thumbnail","hentry","category-nederland","tag-den-haag","tag-bloem","tag-literatuur","tag-musea"],"jetpack_featured_media_url":"https:\/\/inzaken.eu\/wp-content\/uploads\/peter-berger-2.jpg","jetpack_sharing_enabled":true,"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/27915","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts"}],"about":[{"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/types\/post"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/users\/2"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=27915"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/27915\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":30247,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/posts\/27915\/revisions\/30247"}],"wp:featuredmedia":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/media\/30249"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=27915"}],"wp:term":[{"taxonomy":"category","embeddable":true,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/categories?post=27915"},{"taxonomy":"post_tag","embeddable":true,"href":"https:\/\/inzaken.eu\/index.php\/wp-json\/wp\/v2\/tags?post=27915"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}