

Net iets ten zuidoosten van de Oosterspoorbaan, schuin achter het Spoorwegmuseum ligt een oud tuindersgebied aan het riviertje de Minstroom. Wie daar rondwandelt, zal nog veel plekken ontdekken die verwijzen naar de hoveniers, die hier eeuwenlang het land bewerkten.
De vruchtbare grond rond de Minstroom trok al vanaf de middeleeuwen tuinders aan, die woonden in hovenierswoningen of boerderijen die verspreid lagen over het gebied. De hoveniers vormden een besloten bevolkingsgroep, met eigen gebruiken en klederdracht. Ze verbouwden hun producten op kleine stukken grond en verkochten deze verderop in de stad aan de deur of op de markt.
Toen er aan het einde van de negentiende eeuw voor het eerst buiten de Utrechtse stadsmuren huizen werden gebouwd veranderde er ook veel voor de tuinders in het Minstroom gebied. Particulieren kochten grond op van hoveniers en bouwden daar arbeiderswoningen, waardoor de hoveniersgrond werd opgesplitst en versnipperd raakte. De komst van de arbeiders bracht wel allerlei nieuwe voorzieningen met zich mee, zoals scholen, winkels en fabrieken.
In de jaren ’70 van de twintigste eeuw zou er met de stadsvernieuwing opnieuw veel veranderen in het Minstroomgebied. Hoveniersgrond werd door de gemeente opgekocht en bebouwd en een groot aantal arbeiderswoningen werd gesloopt en vervangen door nieuwbouw. Hierdoor verdwenen de laatste hoveniers en veranderde het gebied definitief in een woonwijk. Maar dan wel een bijzondere woonwijk met een bijzondere geschiedenis.
De oorsprong van de Minstroom
Wat we nu het Minstroomgebied noemen, bestaat uit Abstede en een klein gedeelte van Oudwijk. De vruchtbare grond waar de tuinders zo dankbaar gebruik van maakten, is daar ooit achtergelaten door de rivieren. Al eeuwen voor het begin van onze jaartelling stroomde de (Kromme) Rijn en de Vecht door het gebied van het hedendaagse Utrecht. Eigenlijk was het één rivier maar net ten zuiden van het latere Utrecht, onder Tolsteeg, splitste de rivier zich in twee takken die elk een andere kant uit liepen: de Rijn naar het westen en de Vecht naar het noorden.
Doordat deze toen nog onbedijkte rivieren hun loop steeds veranderden, lieten ze vruchtbare grond achter in een reeks verlande beddingen en restgeulen en daar zouden de latere bewoners van profiteren. Toen in de twaalfde eeuw de Stadsbuitengracht en de Oudegracht werden gegraven, werd aan de oostzijde een grote rivierbocht van de Vecht afgesneden, die al snel verlandde. Deze oude rivierloop is nog te herkennen in het bochtige tracé van de Abstederdijk en de Zonstraat. Maar niet al het water verdween uit het gebied. De huidige Minstroom is namelijk ook een oude restgeul van de Vecht. Lange tijd vormde deze stroom de grens van de Utrechtse stadsvrijheid, een gebied waar de wetten en regels van de stad golden. Tot in de zestiende eeuw had de Minstroom nog een aftakking die langs het begin van de Zonstraat liep. Deze is te zien op de kaart die Jacob van Deventer rond 1570 van Utrecht heeft getekend.
Tot de aanleg van de Looierstraat in de tweede helft van de negentiende eeuw liep de Minstroom op dit punt over in de Grift, een stroom die uitkwam in de huidige Kromme Rijn.
Het ontstaan van het hoveniersgebied
Door de vele vruchtbare grond in de omgeving van de Minstroom, is het gebied bijzonder geschikt voor de teelt van groente en fruit. Al vanaf de middeleeuwen liggen er verspreid over de
Abstederdijk en de Zonstraat hovenierswoningen en boerderijen. De producten die de hoveniers verbouwden, werden geleverd aan de stad Utrecht.
De van oorsprong twaalfdeeeuwse Abstederdijk was een van de wegen van en naar de stad en maakte ook deel uit van een handelsroute die via de Vossegatsedijk en de Weg van Rhijnauwen om de veengebieden heen liep naar Zeist. Ook de Absteder Achterdijk (de huidige Notenbomenlaan) en het eerste deel van de Zonstraat zijn oude wegen en dateren vermoedelijk van de late middeleeuwen. Vanaf de Zonstraat was er in die tijd ook al een pad naar het klooster in Oudwijk. De functie van het gebied werd belangrijker nadat de bevolking van de stad in de veertiende eeuw toenam. Tot de Franse overheersing, die begon aan het einde van de achttiende eeuw, had Abstede de status van een voorstad met een eigen rechtspraak en een vertegenwoordiging in het bestuur van de stad Utrecht. Drie jaar nadat de Fransen waren vertrokken, werd Abstede in 1816 een zelfstandige gemeente, maar dat werd in 1823 alweer ongedaan gemaakt omdat het Utrechtse bestuur van mening was dat het gebied toch bij de stad hoorde.
Leven en gebruiken van de hoveniers
De hoveniers in Abstede waren voornamelijk gespecialiseerd in harde winterspinazie en rode kool. Naast het verbouwen van groenten hielden ze, afhankelijk van het jaargetijde, ook enkele dieren. Zo kochten veel tuinders in de winter een aantal koeien en in het voorjaar een paar varkens. De koeien leverden melk voor het gezin en kregen veel te eten, zodat ze weer met winst verkocht konden worden. De varkens werden gehouden omdat ze zorgden voor mest op het land en omdat ze het groenteafval opaten. In het najaar werd er een geslacht en de rest verkocht. Op het land van een hovenier stond vaak een grote wasbak waarin alle geoogste groenten werden gewassen. Tot in de jaren ‘30 van de twintigste eeuw kwam dit water veelal uit de Minstroom.
Het land van een hovenier was verdeeld in kleine akkers, die hoeken werden genoemd. Zo was er een hoek met spinazie, een hoek met sla, enzovoort. De groenten werd aan de deur verkocht of op de markt. Om daar te komen, maakten ze gebruik van een paarden of hondenkar. Die werd ook gebruikt om naar de hoveniersmarkt te gaan waar de winkeliers van vijf tot zeven uur ‘s ochtends op het Jacobikerkhof en in de Waterstraat hun inkopen konden doen. Voor particulieren was er de vrijmarkt op de Mariaplaats, die duurde van acht uur ‘s ochtends tot een uur ‘s middags. Omdat de afzetmarkt steeds meer groeide, gingen de meesten tuinders vanaf 1902 naar de groente en fruitveiling aan het Paardenveld die in 1928 verhuisde naar de Croeselaan. Na de veiling werden veel producten op boten geladen en vervoerd naar andere plaatsen, zoals Amsterdam. Omdat het meeste werk van de hoveniers in de zomer werd gedaan, verdienden ze in de winter bijna niets. Dit betekende niet dat er in deze tijd geen werk was. De tuinders gingen elk jaar naar het hakgebied, in de omgeving van Bunnik, om hout te hakken. Andere werkzaamheden waren het wassen van de late andijvie en het schoonmaken van prei. Begin maart kon de eerste winterspinazie worden gemaaid en kwam het geld weer binnen.
De hoveniers in Utrecht vormden een vrij gesloten bevolkingsgroep. Ze trouwden meestal binnen eigen kring en het was niet ongebruikelijk dat neven en nichten met elkaar huwden. Hierdoor kwamen familienamen als Jongerius, Kersten en Achterberg veelvuldig voor in het gebied. Om de verschillende familieleden uit elkaar te houden, werd gebruik gemaakt van bijnamen. Zo gebruikte de familie Jongerius bijnamen als De Bril, De Sok en De Beer. Tot aan het einde van de negentiende eeuw waren hoveniers vaak aan hun kleding te herkennen. De mannen hadden voor de zondag een zwart pak en een zwarte, platte hovenierspet. De vrouwen hadden zwarte kleding en verschillende soorten witte mutsen, waaronder de werkmuts en de stadsmuts.
Hoveniers hadden vaak een dienstbode, een huismeid of een hofmeid. De hofmeid kwam alleen in de zomer en hielp onder andere met het verbouwen van de groente. Alleen de welgestelde hoveniers hadden personeel en een eigen stuk grond met een huis erop. Anderen moesten het doen met gepachte grond, die onder andere gehuurd kon worden bij de kerk of soms via onderhuur was verkregen. Dat ging goed, zolang het land voldoende opleverde, maar als een hovenier door een tegenslag de huur niet meer kon betalen, betekende dit veelal het einde van het zelfstandige bestaan. Ze verhuurden zich dan als spitters of voor andere soortgelijke karweitjes. Dat was een onzeker bestaan omdat het werk veelal per dag gezocht moest worden. De spitters in het Minstroomgebied kwamen voornamelijk uit de Schans.
Dit was een naburig gelegen gebied met kleine woningen aan zandpaden. De mensen die daar woonden, waren vaak erg arm en gingen om in de winter toch aan voedsel te komen wel eens op strooptocht.
Hovenierswoningen en boerderijen
Vanaf de middeleeuwen tot ver in de negentiende eeuw stonden er verspreid over de Abstederdijk, de Notenbomenlaan en de Zonstraat alleen boerderijen en hovenierswoningen. Daarvan zijn er nog enkele bewaard gebleven, die tegenwoordig meestal zijn beschermd als rijks of gemeentelijk monument. Een hovenierswoning bestond in het algemeen uit een begane grond met een kap en was veelal onderkelderd. Op het achtererf stond meestal een schuur voor de opslag van groenten.
Een boerderij daarentegen bestond uit een begane grond en een eerste verdieping met een kap en had een voor- en een achterhuis. Het voorhuis was het woongedeelte en in het achterhuis stonden de koeien en was de opslag voor groenten. Met uitzondering van Abstederdijk 180 liggen alle hovenierswoningen en boerderijen aan de straat. Achter de woningen lag meestal hoveniersland, dat overigens niet per se van de bewoner van het huis was. De hoveniers hadden vaak verschillende stukken grond verspreid over het gebied. Zo had de heer Kersten, die tot in de jaren ‘70 in de woning aan Abstederdijk 187 heeft gewoond, een stuk grond langs het spoor en aan de overkant van de straat.
Huis de Bras en het Kerkenhuis
Abstederdijk 188/190 is een van oorsprong zestiendeeeuwse boerderij en bestaat uit een vroegnegentiendeeeuws woonhuis, genaamd huis de Bras, en een veel ouder schuurgedeelte, ook bekend als het Kerkenhuis, aan de achterkant. In deze schuur was vanaf ongeveer 1600 tot 1715 de schuilkerk De statie onder het kruis gevestigd. Deze kerk is de voorloper van de Martinuskerk aan de Oudegracht, die in 1901 werd geopend.
In 1978 werd de schuur afgebroken en vijf jaar later, in 1983, weer herbouwd in oude vorm. De gehele boerderij is in de achttiende en negentiende eeuw verschillende keren verbouwd. Het woonhuisgedeelte is in 1811 vernieuwd en later in de negentiende eeuw uitgebreid tot een dubbel woonhuis. Aan de linkervoorzijde van, dat momenteel bepleisterde voorhuis, bevindt zich een onderkelderde opkamer en aan de rechtervoorzijde zijn twee extra zijkamers. De voormalige boerderij is in 1992 aangewezen als rijksmonument en is tegenwoordig verdeeld in vier verschillende woningen.
Hovenierswoning uit 1876
Abstederdijk 180a is een negentiendeeeuwse hovenierswoning aan de Minstroom. Het huis heeft een vierkante plattegrond en is voor een kwart onderkelderd. Tegen de oostgevel is een berging gebouwd. De ongepleisterde gevel aan de Minstroom heeft een monumentale uitstraling en is afgesloten met een kroonlijst en heeft twee wit gepleisterde blinde nissen. Aan de rechterkant is een steen ingemetseld waarop het bouwjaar 1875 wordt vermeld.
De verdieping op de begane grond was oorspronkelijk opgedeeld in vier delen, die met houten wanden van elkaar gescheiden werden. Het betrof de woonkeuken met een schouw, een werkruimte, een nette kamer en een opkamer. Vanuit de werkkamer was via een trap de zolder te bereiken, die uit een of twee vertrekken aan de voorzijde bestond. Tussen de beste kamer en de op kamer, achter een blinde nis, bevonden zich de bedsteden. Hoewel het adres tegenwoordig nog steeds Abstederdijk 180a is, ligt de toegang van de woning aan de Zonstraat waar het een brug over de Minstroom heeft.
Stadsontwikkelingen in de negentiende eeuw
Door de bevolkingstoename werden er vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw ook woningen buiten de singels gebouwd. In eerste instantie gebeurde dit langs bestaande wegen maar later werden er ook veel nieuwe dwarsstraten aangelegd. Een mooi voorbeeld daarvan is de Oudwijkerdwarsstraat met zijn talloze zijstraten.
De bebouwing bestond uit rijtjes arbeiderswoningen en huizen voor de middenstand. In Abstede stonden voornamelijk arbeiderswoningen, die vaak niet groter waren dan een begane grond met een kap. Binnen bevonden zich een woonvertrek met bedsteden, een keuken en een zolder in de nok met een dakkapel. De gemeente had weinig in te brengen bij de nieuwbouw, omdat het voornamelijk particulieren waren die stukken grond opkochten van de hoveniers. Er kon dan ook niet worden voorkomen dat er zoveel mogelijk huizen op zo min mogelijk grond werden gebouwd. De uitbreidingen geschiedden niet volgens een bepaald plan. Het enige waar de speculanten rekeningen mee moesten houden, waren de perceelgrenzen. Omdat het naburige land vaak nog in gebruik was door hoveniers ontstonden er vreemde sprongen en rare hoeken in het stratenpatroon.
Dit is nog steeds te zien in de Abstederdijk. De kwaliteit van de woningen was vaak slecht. Ze waren klein, dicht op elkaar gebouwd en de sanitaire voorzieningen stelden niet veel voor. Deze bestonden meestal uit een kraan in de keuken en een droogcloset in de tuin.
Hoewel de Abstederdijk, de Notenbomenlaan en de Zonstraat tot in de jaren ‘20 van de twintigste eeuw zandpaden waren, werden de nieuw aangelegde dwarsstraten vaak wel meteen bestraat. Een van deze dwarsstraten was de Piet Heinstraat, die is vernoemd naar de broers Piet en Hein. Zij waren neven van mevrouw De Vink die grote stukken grond in Abstede in bezit had.
In 1887 deden de broers een aanvraag bij het gemeentebestuur voor de bouw van een winkelhuis, twee hoekwoningen met bovenwoningen en zevenentwintig lage arbeiderswoningen. Het beoogde terrein bevond zich naast hun hovenierswoning tussen de Abstederdijk en de Zonstraat. De vergunning werd verleend op voorwaarde dat de broers een straat van tien meter aan zouden leggen die vervolgens door de gemeente bestraat zou worden. Mensen die een huis van de broers wilden huren, moesten aan bepaalde eisen voldoen. Ze moesten niet alleen een baan hebben en lid zijn van de Aloysiusparochie maar ook voor de wet getrouwd zijn.
Aan de Minstraat werd rond 1900 een rijtje met vrijwoningen gebouwd. Dit gebeurde niet vanuit het particulier initiatief maar met geld uit liefdadigheidsinstellingen het Leeuwenberchgasthuis en het Bartholomeusgasthuis.
Vrijwel tegelijk zijn de hofjes van de Fundatie van Maria van Pallaes gebouwd. Samen vormen ze een aaneengesloten, karakteristieke neorenaissance, gevelwand. Vrijwoningen werden gebouwd voor arme mensen en waren, zoals de naam al aangeeft, vrij van huur. Ondanks dat de bewoners hiernaast vaak nog voedsel, brandstof of geld kregen, was dit niet genoeg om van te leven.
De vrijwoningen werden daarom niet bewoond door de allerarmsten maar veelal door ouderen die tijdens hun leven wat geld hadden gespaard, zoals winkeliers en ambachtslieden. Om de kosten laag te houden bestonden de woningen maar uit één kamer met een zolder en werden ze in een rijtje onder een doorlopend zadeldak gebouwd. De woonruimte bevatte een bedstee, een kachel en een trapje naar de zolder. De privaten stonden buiten en waren bedoeld voor gemeenschappelijk gebruik.
Maar niet alle nieuwbouw in het Minstroomgebied was klein. De woningen aan de Looierstraat waren bedoeld voor de middenstand en aan het einde van de Abstederdijk verscheen zelfs een aantal herenhuizen. Voor de aanleg van de Looierstraat werd de Grift gedempt. Er is hier nu nog steeds een verzakking in de woningen te zien op de plaats waar de Grift liep.
Doordat veel hoveniers vanaf 1860 hun grond verkochten aan particulieren en wegtrokken uit het gebied, verdween een groot deel van de open terreinen. Met de aanleg van dwarsstraten en de Oosterspoorbaan in 1872 werden veel aaneengesloten terreinen opgesplitst en bebouwd en verdween de Grift uit het landschap.
Abstede werd van een hoveniersgebied steeds meer een arbeiderswijk. Rond 1900 bestond het grootste gedeelte van de bevolking van Abstede uit arbeiders of winkeliers, zo waren er veel metselaars maar ook slagers, schoenmakers en een kleermaker. De komst van deze mensen bracht ook nieuwe voorzieningen met zich mee. Er werden winkels en scholen gebouwd maar ook enkele fabrieken en wasserijen.
Scholen
In het Minstroomgebied waren zowel katholieke als openbare scholen te vinden. Aan de Abstederdijk stonden de katholieke Leoschool en de Openbare Lagere School Abstede naast elkaar. De Leoschool aan Abstederdijk 2628 was gesticht door de pastoors van de Catharina- en de Martinusparochie. Zij kwamen in 1887 overeen om een stuk grond van H. en J. Jongerius te kopen op de grens van beider parochies. De afspraak was dat de kosten op rekening zouden komen van de pastoors zelf en het aartsbisdom. De architect, Wilhelmus Jacobus van Vogelpoel, ontwierp een eenvoudige school van een bouwlaag met aan weerszijden van de gang twee keer twee lokalen. In 1888 werd de school geopend. De jongens kregen les van leken en de meisjes van de Zusters van Liefde. De speelplaats werd gescheiden door een muur. In 1890 werden er vier lokalen bij gebouwd voor de jongensschool en in 1895 kreeg de meisjesschool er een verdieping bij. Het hoofd van de school woonde in de onderwijzerswoning naast de school. Omdat er conflicten ontstonden tussen de pastoors van de verschillende parochies kocht de Martinusparochie zich in 1904 uit.
De Leoschool werd vanaf dat moment de Catharinaschool en de Martinusparochie bouwde een eigen school in de Gansstraat. De hierdoor vrijgekomen lokalen in de Catharinaschool werden in gebruik genomen als bewaarschool voor drie tot zesjarigen.
De katholieke jongens die aan de andere kant van het spoor woonden, gingen naar de Petrus Canisiusschool in de Minstraat. Voor de katholieke meisjes was er de school aan de Notenbomenlaan. In 1881 werd de Openbare Lagere School Abstede aan de Abstederdijk 3032 gebouwd in opdracht van de Dienst Gemeentewerken. De school maakte deel uit van een serie openbare scholen die in de nieuwe wijken rond de binnenstad werden gebouwd en is ontworpen door de architect Cornelis Vermeys. Het gebouw bestaat uit een centrale hal met een trappenhuis en aan weerszijden gelegen lokalen. Aan de linkerkant van de school stond de onderwijzerswoning en aan de rechterkant het gymnastieklokaal. De school begon met 300 leerlingen. Vanaf 1918 kwam een groot deel hiervan uit het nieuw gebouwde Sterrenwijk. Tegenwoordig is geen van de genoemde scholen nog in zijn oorspronkelijke functie in gebruik. De Catharinaschool en de Openbare Lagere School Abstede zijn verbouwd tot appartementen en zowel de jongens als de meisjesafdeling van de Petrus Canisiusschool is afgebroken.
Hiëronymuscomplex
In 1873’74 werd in opdracht van de Zusters van Liefde van Tilburg een roomskatholiek bejaarden en weeshuis gebouwd naar ontwerp van de architect Alfred Tepe. Dit Hiëronymushuis is gebouwd in neogotische stijl en bestaat uit een centrale vierkante toren met aan weerszijden twee lagere vleugels. De hoofdingang is te vinden in het centrale bouwdeel en is bereikbaar via een dubbele bordestrap met vier schilddragende leeuwen.
Het complex ligt aan de Maliesingel en bestond naast het hoofdgebouw uit twee dienstgebouwen, een washuis en een grote tuin met een brug over de Minstroom. De wezen en bejaarden voor wie het complex bestemd was, waren hiervóór gevestigd in het middeleeuwse Zoudenbalchhuis in de Donkerstraat. Enkele fragmenten daarvan, zoals een gebeeldhouwde gotische schouw, kregen een plek in het nieuwe Hiëronymushuis. Aan de achterzijde van het hoofdgebouw bevond zich een grote kapel, die gedecoreerd was door de leden van het Bernulphusgilde; een groep katholieke geestelijken, kunstenaars en architecten die zich lieten inspireren door de middeleeuwen. Zij hebben zowel de glasinloodramen als het schilder en beeldhouwwerk verzorgd. Achter de kapel en de buitenplaats lag de grote tuin met de dienstwoning, het washuis, het betonnen bruggetje en een Lourdesgrot. De brug is uitgevoerd in een neogotische stijl en is een vroeg voorbeeld van het gebruik van beton.
In 2007 zijn het Hiëronymushuis en de kapel verbouwd tot luxe appartementen. Bij deze herontwikkeling is ook de tuin en daarop staande bebouwing meegenomen. De dienstwoning is opgesplitst in twee woningen en het washuisje is, in verband met zijn ruïneuze staat, gesloopt. De brug over de Minstroom is gerestaureerd maar heeft in de jaren ‘50, met het verdwijnen van de weeskinderen, wel zijn functie verloren.
Bedrijvigheid: winkels en fabrieken
Tussen 1920 en 1940 waren er veel winkels, waaronder een kruidenierszaak, een bakkerij en een fietsenwinkel, in het Minstroomgebied te vinden. In de Zonstraat bevonden zich onder andere een badhuis en twee wasserijen, de Zon en de Ster. De Zon was gevestigd in de oude boerderij op nummer 23/25. De wasserijen loosden hun sop in de Minstroom, waardoor deze vaak helemaal wit was. Er hebben ook verschillende fabrieken in het gebied gestaan. Zo stond aan de Abstederdijk een fabriek van het elektronicabedrijf Van der Heem. Aan de Tolsteegsingel, naast de Minstroom, bevonden zich tot aan het begin van de jaren ‘70 de fabrieksgebouwen van Leerlooierij Wessels. Overigens kende leerlooien aan de Tolsteegsingel een lange traditie, die terugging tot het midden van de zestiende eeuw. De huiden van de fabriek lagen te drogen aan de Minstroom. In de huidige Zonnehof aan de Zonstraat stond vroeger een asfaltfabriek. Bij mistig weer werden de lakens en de buitenspelende kinderen helemaal zwart van de vieze uitstoot.
Stadsvernieuwing
Vanaf het midden van de jaren ‘20 tot en met het einde van de jaren ‘50 veranderde er weinig in het Minstroomgebied. Soms werden er enkele oude arbeiders woningen of een paar bouwvallige boerderijen vervangen door meer eigentijdse woningen. Ook vonden er kleine wijzigingen plaats in het straatprofiel: individuele stoepen en voortuinen werden vervangen door een doorlopend trottoir.
De plannen van de gemeente Utrecht om de binnenstad beter bereikbaar te maken voor het autoverkeer, zouden echter grote veranderingen met zich meebrengen voor Abstede. Dat begon in 1959 toen de gemeenteraad het verkeersplan van de Duitse verkeerskundige Max Erich Feuchtinger goedkeurde. Volgens dat plan zouden verschillende autowegen vanaf een ringweg dwars door enkele woonwijken naar het centrum lopen. Hierbij zou niet alleen de historische structuur van deze wijken worden aangetast, maar zou ook de Stadsbuitengracht worden gedempt. Dit stuitte echter op verzet bij veel burgers en de rijksoverheid. Deze laatste plaatste de Stadsbuitengracht en het naastgelegen Singelplantsoen van J.D. Zocher op een voorlopige monumentenlijst waardoor het helemaal dempen van de buitengracht niet doorging. Het duurde echter nog tot 1975 voordat de plannen definitief werden afgewezen. In de tussentijd was er echter al het nodige veranderd in het Minstroomgebied.
Een onderdeel van de verkeersplannen was de Oostelijke invalsweg, die dwars door Abstede zou gaan lopen. Daarvoor moest dan wel een groot deel van de bebouwing gesloopt worden. In de veronderstelling dat deze plannen door zouden gaan, kocht de gemeente alvast stukken grond en woningen aan, die op voorlopige basis aan de Stichting Studentenhuisvesting verhuurd werden.
Door de onzekerheid over de toekomst van het gebied trokken veel gezinnen weg, waardoor ook de middenstand en veel winkels verdwenen. Omdat de woningen toch gesloopt zouden gaan worden, werd weinig aan onderhoud gedaan, waardoor de kwaliteit van het gebied sterk achteruit ging. Veel oude bewoners, waaronder de nog overgebleven hoveniers, verhuisden naar elders. Een van de laatste hoveniers die vertrok was A.J. Emmelot, die een kwekerij had aan de Minkade. Deze locatie moest in 1976 vrijgemaakt worden voor de plannen van de gemeente. Het bedrijf werd verplaatst naar de Gageldijk waar het zich heeft ontwikkeld als tuincentrum.
Groeiend ongenoegen van de bewoners leidde in 1973 tot de oprichting van het wijkcomité NAKA (Nieuw Aktie Komitee Abstede). Dit comité had twee belangrijke taken: het plan voor de Oostelijke invalsweg te laten intrekken en de heropbouw van de buurt. In 1975 werden de doelen bereikt. De gemeenteraad verwierp het plan voor de oostelijke invalsweg en Abstede werd aangegeven als rehabilitatiegebied, waardoor zowel de woningen als de woonomgeving zoveel mogelijk moest worden hersteld naar de oude situatie. Het uitgangspunt voor de heropbouw was het Basisprogramma Stadsvernieuwing Abstede (BASTA). De belangrijkste punten waren dat wonen de hoofdbestemming moest blijven, dat er voor de te slopen woningen nieuwe in de plaats moesten komen en dat de wensen en ideeën van bewoners het vertrekpunt zouden zijn. In dit kader werd er een buurtonderzoek gehouden dat leidde tot het rapport Abstede… waarheen?. Ook verscheen het rapport De Minstroom, een uitgave van de werkgroep Herstel Leefbaarheid Oude Stadswijken Utrecht. Deze werkgroep wilde een bijdrage leveren aan de milieubewuste planologie van Abstede en de aandacht vestigen op de historie van het gebied.
Ondanks deze bijdragen was de heropbouw een lang en moeizaam proces. De gemeente Utrecht en de bewoners konden het niet eens worden over het aantal te slopen en te renoveren woningen. Na een rechtszaak werd besloten om het aantal te slopen woningen tot een minimum te beperken en in plaats daarvan veel woningen te renoveren.
De nieuwbouw in Abstede werd in drie fasen uitgevoerd. In fase een ging het om de bebouwing van drie open terreinen: het terrein van de voormalige fabriek van Van der Heem, nu de Abstederhof, als tweede het gebied aan de Minkade dat voorheen was van de hovenier A.J. Emmelot en als derde een terrein ten oosten van de spoorlijn, waar de Minhof zou worden gebouwd. Bij fase twee ging het onder andere om de volgende terreinen: de hoek van de Abstederdijk en de Notenbomenlaan, de hoek van de Abstederdijk en de Minstraat en het terrein van de afgebrande Petrus Canisiusschool in de Minstraat. Naast deze terreinen zijn er ook veel stukken grond over gebleven waar geen nieuwbouw is gekomen, maar waar, mede dankzij het initiatief van bewoners en de inzet van de Werkgroep Herstel Leefbaarheid Oude Stadswijken, volkstuinen zijn gekomen. In de derde en laatste fase werden geen braakliggende terreinen bebouwd maar moesten er woningen worden gesloopt. Het ging in totaal om 85 woningen waarvan de meeste in de Notenbomenlaan stonden.
Na al deze veranderingen is Abstede of het Minstroomgebied een echte woonwijk geworden. De hoveniers zijn verhuisd of hebben een ander beroep gekozen, de winkels en fabrieken verdwenen en de scholen zijn omgebouwd tot appartementencomplexen. Toch is Abstede geen woonwijk zoals veel anderen. De historie is nog steeds terug te vinden in de Minstroom, de restanten van de hoveniersgronden en de nog bestaande hovenierswoningen en boerderijen. Enkele delen van de nog resterende grond hebben een nieuwe functie gekregen die doet denken aan de tijden van de hoveniers. De bewoners gebruiken deze grond voor volkstuinen.
Deze liggen tussen de huizen en zijn naast een algemene toegangsweg bereikbaar via achtertuinen. Er wordt voornamelijk groente verbouwd, maar er staan ook nog enkele fruitbomen die door de hoveniers achtergelaten zijn. Juist door de herkenbaarheid van de hoveniersgeschiedenis, wordt het Minstroomgebied tegenwoordig gezien als een waardevol cultuurhistorisch onderdeel van de stad Utrecht.
Behouden
Bewoners en de gemeente Utrecht spannen zich in om de bijzondere waarde van het gebied zoveel mogelijk te beschermen. Om dat goed te kunnen doen, is er door de afdeling Stedenbouw en Monumenten onderzocht wat er nog in het gebied over is van dat bijzondere verleden.
De resultaten van dat onderzoek heeft u in deze brochure kunnen lezen. Aan de hand van de onderzoeksgegevens zal worden gekeken hoe het gebied zo goed mogelijk beschermd kan worden. Een van de mogelijkheden is om het aan te wijzen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Daarmee zal het historische karakter van de wijk zo goed mogelijk behouden blijven en zal het verleden van de Utrechtse hoveniers ook in de toekomst zichtbaar blijven.
Erfgoed Utrecht


