Nederland

Christina de Vos over veertig jaar kunst maken

christina de vos 1

Samen met Marie Louise Elshout en Arie van Geest exposeerde Christina de Vos in het Rotterdamse WTC. Op een lange muur in de galerie waren 25 schilderijen, een drietal tekeningen en twee textielobjecten te zien. Enkele kwamen uit haar heiligenserie endless fear, maar het leeuwendeel stamt uit de aanzet tot haar nieuwe serie.

Deze serie is een vervolg op haar vroegste werk uit de jaren tachtig, toen zij nog aan de kunstacademie studeerde. Veertig jaar later is zij nog steeds trots op de stapel kleine tekeningetjes op voddenpapier en de vier grote olieverfschilderijen die ze toen maakte. Ze verhalen van menselijke wreedheid en onverschilligheid. Al heel lang koesterde ze de wens om dit duistere thema verder uit te diepen in schilderijen, tekeningen en objecten.

De serie heet ein Greuelmärchen, een griezelsprookje maar ze noemt het nieuwe werk vaak haar ‘Duitse’ serie, omdat het decor wordt gevormd door het Derde Rijk, net als bij die intense tekeningen van toen. Met een hoofdrol voor de Wannseeconferentie van 1942 waar het lot van de Europese Joden werd bezegeld, en een gastrol voor Hermann der Cherusker (Arminius) die in het jaar 9 CE in het Teutoburger Wald drie Romeinse legioenen vernietigde. “Deze serie moet. Hij is genoemd naar mijn academieserie ein schönes Greuelmärchen.”

Op naar Zeeland

Ik had de tentoonstelling bekeken; het werk van Marie Louise Elshout en dat van Arie van Geest was mij bekend. Ik had beiden ook geïnterviewd. Zie de interviews elders op deze site. Maar het werk van Christina de Vos was nieuw voor mij. Christina’s schilderijen en tekeningen hadden een kracht die bleef hangen, ook nadat ik ze had gezien. Het was rauw en primitief, het zat in de richting van art brut/outsider art.

Ik maakte een afspraak met haar en nam de trein naar Vlissingen. In die trein zit ik vaak, maar dan van Amsterdam naar Den Haag HS, en ook wel van Den Haag HS naar Rotterdam CS, maar nooit verder dan Dordrecht. Deze keer nam ik het traject heel Noord-Brabant door, de provincie Zeeland in. Ik stapte uit in Goes, nam de bus naar Geersdijk, een klein dorpje op Noord-Beveland en spoedig stond ik voor het huis van Christina de Vos en haar vrouw Dee.

Christophorus

De gang staat vol schilderijen die teruggekomen zijn van de tentoonstelling. Er hangen ook enige werken aan de muur. We gaan even het atelier in, meteen links in de gang, en ik zie haar werktafel, stapels doeken en een ezel. De grote schilderijen maakt ze in de woonkamer. We gaan erheen en Christina gaat naar de keuken om koffie te zetten. Aan het andere eind van de tafel hangt een schilderij van een mens/hond die een kind draagt. Het is Christophorus uit de heiligenserie. “Hij is afkomstig uit het land van de hondkoppigen, vandaar de hondenkop”, zegt ze als ze terug is.

Ein Greuelmärchen

Christina werkt in series, al vanaf haar studie aan de Academie van Beeldende Kunsten in Rotterdam. In het derde en vierde jaar maakte ze ein schönes Greuelmärchen en sinds kort werkt ze aan een vervolg hierop. “Ik blijf eigenlijk altijd dicht bij huis in mijn werk, ook toen al, op de academie. Ik ben een halve Duitse. Mijn Nederlandse vader fietste naar Zuid-Duitsland waar hij mijn moeder ontmoette. Ze gingen wonen in het Groene Hart waar mijn zus en ik zijn opgegroeid. We bezochten de Duitse familie vaak en ik was daar heel graag en leerde zo snel mogelijk de taal. Op de lagere school vertelde de onderwijzer over de Tweede Wereldoorlog, over onderduiken en je moeten verstoppen voor de Duitsers. Het was een schok voor mij en moeilijk te rijmen met die aardige familieleden daar en dat vredige stadje. Mijn opa, oma, tantes, de buurman, de vriendelijke winkelier, ze waren allemaal aanhangers van Hitler destijds, en ik snapte niet hoe iemand tegelijkertijd fout èn allervriendelijkst kan zijn. Daar ging mijn eerste werk over en het is altijd mijn thema gebleven: kan dat tegelijkertijd, en wat ben je dan echt? Het is moeilijk als mensen anders blijken te zijn of zijn geweest dan je denkt. Als kind kon ik dat niet rijmen, op de academie was het eerste wat ik wilde doen, mijn hoofd leegmaken van al die vragen of tenminste wat orde scheppen in die wirwar.” Daar gaat ze nu, veertig jaar later, mee verder. “Ik ben 60 jaar oud. Dit wordt waarschijnlijk mijn laatste serie.”

De Rotterdamse Academie

Arie van Geest, een van de drie exposanten in de WTC Art Gallery, gaf haar in het tweede jaar les. “Hij vond mij destijds vooral verlegen en verwachtte er niet veel van, vermoed ik.” Ze was met moeite op de Academie gekomen. “Ik was met een map vol tekeningen naar de academies in Den Haag, Arnhem en Amsterdam gereisd en dat was allemaal niks geworden. In Rotterdam moest je twee dagen toelatingsexamen komen doen en ter plekke een tekening van iets maken. Ik had alleen een boterham met kaas bij me, dus dat werd het. Er was twijfel en ik moest nog een dag extra komen voordat ik alsnog werd aangenomen. Ik vind achteraf dat de Rotterdamse academie heel goed bij mij past, ik ben blij dat die het is geworden. Het was toen nog een opleiding van vijf jaar en om te beginnen was er een basisjaar. Dat was keihard werken. We leerden van alles: steenhakken, houthakken, schilderen, tekenen. Ik was de jongste van de klas, 16 jaar. Aan het einde van dat eerste jaar moest je beslissen welke richting je wilde doen en ik koos voor tekenen en schilderen.”

De kunstwereld was een nieuwe wereld voor haar. Ze ervoer in dat eerste jaar ‘enige aardverschuivingen’. “We hadden thuis een koekblik met schilderijen van Dürer erop en ik kende Frans Hals, Van Gogh, de molen van Van Ruysdael. Dat was het zo’n beetje. Mijn vader had op kantoor een enorme poster hangen van Karel Appel. Tot mijn verbazing vond hij dat mooi. Schilderen deed je als Rembrandt, vond ik. In het eerste academiejaar bezochten we vrijwel meteen de Documenta waar ik niks van snapte, maar ik vond het werk van Armando heel mooi. En in de jaren die volgden, ontdekte ik Otto Dix, George Grosz, Max Beckmann en Goya.”

Leren tekenen en schilderen

Aanvankelijk gaat het bij de lessen om het leren beheersen van de techniek. “Bij Arie kregen we stillevens en model, bij Guus de Ruiter naakt. Techniek was niet mijn sterkste kant, dat is het nog niet. En ik werkte toen al langzaam dus het meeste bleef onaf. Gelukkig mocht je vanaf het derde jaar zelf kiezen wat je wilde maken en dat hielp mij enorm. Joop van Meel gaf ons opdrachten waarbij het juist om de inhoud ging, bijvoorbeeld gingen we met de hele klas naar de academiebibliotheek en iedereen koos daar een boek als inspiratiebron. Ik leende Goya en maakte een tiental tekeningetjes naar één van zijn etsen waarop een man met voorovergebogen hoofd staat. Dat zijn de enige koppen in mijn werk uit die tijd want mijn andere personages hielden bij de nek op.”

“Onze klas kreeg dat jaar ook les van Klaas Gubbels, drie lessen voordat hij met een beurs naar Amerika ging. Hij bekeek wat we in het jaar daarvoor hadden gemaakt, één voor één bespraken we dat met Klaas. En toen zei hij tegen me: ‘Je hebt een goed kleurgevoel’. Dat was het eerste compliment na twee jaar academie! Toen Arie van Geest onlangs een tentoonstelling van me opende, vertelde hij in zijn toespraak dat hij zich destijds meer mijn psychiater dan schilderleraar voelde omdat onze gesprekken niet over kwaststreken gingen maar over moed verzamelen en zo. Van de beeldhouwer Heppe de Moor kregen we les in ideeontwikkeling maar ik praatte met hem over hoe het was om in een grote stad te wonen met al die drukte en geluiden. Daarnaast ontwikkelde ik dan ook nog wat ideeën maar voor mij waren die gesprekken veel belangrijker want het was eerst wennen na mijn verhuizing naar Rotterdam. De academie was een vreselijk intensieve tijd en een compleet andere wereld.”

Een hele leuke tijd ook en van vroeg tot laat gevuld met kunst. “Met een groepje medestudenten gingen we een paar keer per week met onze schetsboekjes naar het theater en de bioscoop. We gingen bij elkaar eten en praatten daarna over boeken, filosofie, films. Door onze leraren ontdekten wij ook allerlei muziek en literatuur. De hele klas las ‘Het Martyrium’ van Canetti omdat Joop daar weg van was en we luisterden week na week naar Mozarts Requiem in zijn klaslokaal. Onze grafiekdocent Kees Spermon was gek van Schuberts ‘die Winterreise’, Klaas van Billie Holiday, Arie bewonderde Reve. Het was allemaal nieuw voor ons.”

Eerste tentoonstelling

In 1985 exposeert ze bij galerie espace in Amsterdam. “Het was de vaste galerie van Klaas Gubbels en hij mocht er een beginnende kunstenaar laten exposeren. Klaas koos mij. Dat was een compliment. Ik zat nog in het derde jaar van de academie en Joop van Meel hielp me met het inrichten en de prijslijst. Ik wilde sommige doeken niet verkopen. Ze waren net af en het waren de eerste werken waar ik tevreden over was. Joop begreep mijn probleem en loste het op: ‘We maken het zo duur dat niemand het koopt en die ene is gewoon helemaal niet te koop’. Toch wilde iemand juist dat werk hebben, galerist Eva Bendien belde me erover. Ik heb het niet gedaan. Ik wilde mijn lievelingswerk niet kwijt. Op het schilderij staat een ladder met een figuur eraan.” In De Telegraaf stond een recensie over de tentoonstelling waarin ‘het veelbelovende/kwetsbare talent van Christina de Vos’ aan de orde kwam. “Ik herinner me hoe ik daar over liep na te denken op de trap in de academie.”

Alleen verder

Na vijf jaar academie studeert ze in 1987 af, haar scriptie gaat over outsiderkunst. “Ik voelde me verwant met die kunstenaars.”

Het eerste jaar als zelfstandig kunstenaar is niet makkelijk. Ze heeft een atelier in haar Rotterdamse woning en begint daar schoorvoetend aan een zoektocht naar een gezicht voor haar koploze figuren. Omdat je nu eenmaal ergens moet beginnen, koopt ze een klein boek met zwartwit reproducties van de schilderijen van Matthias Grünewalds Isenheimer Altar. “Ik heb elke bladzijde van dat boek nagetekend. Het is een hele mooie serie geworden. Hij heeft ook prachtige koppen.” Het werk was te zien in een kapel in Gouda en bij galerie Bébert, haar eerste galerie. Ze was één van de twee Bébert-baby’s tot de galerie helaas niet lang daarna ophield te bestaan. Daarna kwamen er andere vaste galeries. Ze is blijven exposeren en heeft een kring van kopers in binnen- en buitenland.

Uiterlijk vertoon

In de jaren die volgen, krijgen de koppen op haar tekeningen stukje bij beetje steeds meer details tot haar Diva’s (1997) een mond, neus, ogen en zelfs wimpers hebben. Ze neemt nog datzelfde jaar afstand van al dat uiterlijke vertoon in haar serie Famous Last Words (‘hoe ga je dood?‘) “Op je sterfbed hoef je niets meer te verbloemen of mooi te praten, alles wat je dan zegt, is helemaal waar. Dat dacht ik en daarom wilde ik daarover tekeningen maken. Ik las boeken van Karl Guthke die zijn leven lang laatste woorden van stervenden heeft verzameld. Het bleek toch anders te liggen, vaak is er geen laatste moment van wijsheid of inzicht, althans niet in woorden. Beroemde personen zeggen wel diepzinnige dingen maar die zijn speciaal voor de gelegenheid door anderen geschreven want een VIP kan natuurlijk niet met een triviale opmerking naar de andere wereld vertrekken. Ik ben er trots op dat professor Guthke bij zijn colleges op Harvard mijn tekeningen heeft laten zien aan zijn studenten.”

Schilderen kost tijd

“Ik teken of ik schilder. De twee technieken door elkaar gebruiken, ‘s morgens een tekening maken en ’s middags verder aan een schilderij, kan ik niet.” Ruim tien jaar lang maakt ze tekeningen met diepzwart Siberisch krijt op wit papier, soms een klein beetje kleur. Voor een tentoonstelling ter ere van Hieronymus Bosch maakt ze voor het eerst sinds de academie weer schilderijen. Metershoge doeken vol mensdieren, acryl en houtskool op doek. Sindsdien duurt het steeds langer voor een serie af is: Aurora 8 jaar, endless fear 12 jaar.

Schilderen kost tijd, een paar jaar steeds weer doorwerken aan een doek is geen uitzondering. Heel veel lagen verf en dan weer stukken katoen er overheen plakken of juist wegsnijden. Ze denkt dat ze door de jaren heen beter is geworden in het bijtijds stoppen met een werk, dat is winst. “Maar het blijft heel moeilijk om te zien of een doek er bijna is of juist nog helemaal niet. Voor je het weet, holt een schilderij achteruit en moet alles overhoop. Ook het begin is moeilijk, een wit doek. Maar ik hou van vernietigen, van een schone lei. Al met al vordert het werk langzaam wat niet erg is want ik wil geen enorme voorraden.”

Aurora

Soms werkt ze in opdracht. Het ro theater in Rotterdam speelde in 2004 enkele stukken gebaseerd op boeken van Jeroen Brouwers, waaronder ‘Zonsopgangen boven zee’. Het verhaal van deze roman uit 1977 is snel verteld: een man zit opgesloten in een lift samen met zijn jonge geliefde Aurora. Het is vooral een minutieuze beschrijving van zijn obsessionele angsten over vergankelijkheid, lust en dood. Zij komt nauwelijks aan het woord en we weten niet wat zij denkt. Het ro theater vroeg Christina om in de foyer van het theater een tentoonstelling te maken bij ‘Zonsopgangen boven zee’.

Ze las het boek, eenmaal, tweemaal en werd erdoor gegrepen. “Een heftig, soms akelig boek. Na de vijfde keer lezen was ik daaraan gewend en toen ontdekte ik de prachtige poëtische lagen. Maar iets maken naar aanleiding van het boek in een paar weken tijd, dat was een onmogelijke opgave.” De opdracht gaf ze terug maar ze begon wel aan een serie waarin het meisje Aurora centraal staat. Van 2004 tot 2012 werkte ze eraan en maakte tientallen werken die vrijwel allemaal snel werden verkocht waardoor de serie als geheel nooit te zien is geweest. En ze maakte er een boek bij, het kunstenaarsboek Aurora waarin een keuze uit de schilderijen, tekeningen en collages is afgebeeld. Behalve praktische aanwijzingen (een boek maken bleek heel moeilijk) en bemoedigende woorden schonk Jeroen Brouwers ook zijn handschrift aan de titelbladen en drie romanfragmenten. “Mijn Aurora werd een heel ander boek dan Zonsopgangen. Ik was heel gelukkig dat Jeroen Brouwers het een prachtig prachtig monument voor Aurora vond geworden. Hij was er net zo blij mee als ik.”

Noem eens een sleutelwerk

“Ik denk dat dat de dingen zijn die je persé moet maken, nog meer dan anders. Zulke uitschieters zijn vaak ‘eenlingen’. Mijn serie Aurora is één geheel, daar zitten voor mij geen eruit springende eenlingen in, maar mijn net begonnen serie Greuelmärchen heeft er in elk geval al één en dat is ‘tiger party’. Drie tijgers aan de thee, het was een heel erg moeilijk ding om te maken.” Het werd op de tentoonstelling in de WTC Art Gallery verkocht. Ze keek er graag naar en gaat proberen om er nog een schilderij over te maken.

christina de vos 9

Hoe lang is ze kunstenaar?

“Vanaf mijn expositie bij espace. Toen ben ik kunstenaar geworden. Dat was in 1985, 41 jaar geleden.”

Wat is haar ervaring met het leven en werken als kunstenaar?

“Toen ik pas begon, dwong ik me om naar het atelier te gaan. Meestal was het tobben. Als je in series werkt, helpt dat soms mee na verloop van tijd.Een collega vertelde me dat hij het gelukkigst is als hij aan het werk is. Dat heb ik niet. Ik werk ook nooit in het atelier als ik ergens exposeer. Ik neem altijd pauzes, het is bij mij hollen of stilstaan. Lezen doe ik dan wel, ideeën en kennis verzamelen. Dat met die onderbrekingen was op de Academie al zo. Ik heb in het vijfde academiejaar eindeloos dezelfde tekening gemaakt omdat ik eigenlijk aan een pauze toe was maar vond dat ik dat als academiestudent niet kon maken.”

Het kunstenaarschap is een eenzaam beroep. “Het is een hard leven”, zegt ze. “Ook door hoe ik het doe. Ik heb altijd bijbaantjes gehad. Toen ik in 2012 naar Zeeland verhuisde, ging ik eerst in de ouderenzorg werken en toen dat lichamelijk te zwaar bleek, vond ik gelukkig werk in het toerisme. Ik tel die uren niet mee, alsof ze niet bestaan. Voor mij tellen alleen de atelieruren als werkuren. Dat dubbelleven kost me nu meer moeite, nu ik ouder word.”

Tot slot, wat is haar artistieke filosofie?

“Begin er niet aan!”

Afbeeldingen: 1) I am a blind painter, 2023, 2) Saint Sebastian, 2016, 3) Buik, 2009, 4) Figuur met ladder, 1985, 5) Rood Narrenschip (uit serie naar Jeroen Bosch), 2001, 6) Tiger Party, 2026, 7) The Daughter, 2024, 8) Beegirls and bear, 2018, 9) Kopje, 1991, 10) portretfoto Christina de Vos, foto Misha Westerveld.

https://www.christinadevos.nl

https://www.facebook.com/christina.devosnorris

Leave a Reply